Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de sinuhun (vermoedelijk de gemaal van de vorstin, Cakradhara) Sadeng ten onder bracht, bl. 28, reg. 14 ').

De zooeyen reeds gereleveerde gelofte van Gajah mada doet ons weten, dat op dat oogenblik de er' in opgesomde landen nog niet door Majapahit ten onder waren gebracht2). De tijdsomstandigheden, zooals zij in het voorafgaande geschetst werden, hadden de gelegenheid daartoe benomen, én van een herwinnen van verloren terrein wordt in ' den tekst niet gesproken, want van een opstand tegen den suzerein wordt niet gewaagd, wat toch zeker wel gebeurd zou zijn, als er een zoo omvangrijke opstand had plaats gehad, dat te gelijkertijd al die genoemde gewesten in verzet zouden zijn geweest.

Slechts enkele der namen zijn bepaald onduidelijk. Seran, Haru, Pahang, Dompo, Bali, Sunda en Palembang geven geen moeite; ook Gurun doet dat vermoedelijk niet.

Met Haru wordt bedoeld het oude rijk van dien naam op Sumatra's oostkust, aan den mond van de Rokan 3). Pahang ligt op de oostkust van het schiereiland van Malaka 4) en met Dompo wordt men verplaatst naar Sumbawa 5), Bali, Sunda en Palembang zijn te bekend dan dat het noodig is er bij stil te staan, en zulks is ook met Seran, het eiland (Ceram) in de Molukken, het geval, in de nabijheid waarvan men vermoedelijk het Gurun heeft te zoeken in de Goram-eilanden, welker inlandsche naam in werkelijkheid Gorong is c).

Zoo resten slechts Tafijung pura en Tumasik, die men, zooals het verband doet zien, ook buiten Java te zoeken heeft, maar niet geïdentifieerd konden worden.

Veelvuldig • komt de laatste naam voor in oudere Javaansche en in de Maleische Panji-verhalen. Wat bedoeld is, en waar men het rijk of de plaats van dien naam te zoeken heeft, kan slechts gegist worden. Nergens werd hij door mij nog zoo aangetroffen, dat de tekst een voldoende vingerwijzing gaf. Hier zij het vermoeden uitgesproken, dat er wellicht de inlandsche naam (Tumasik van

1) De in 1256 vermelde uitbarsting pabanupindah is dezelfde, die in Nag. 1 rj als uitbarsting van den Kampud in datzelfde jaar wordt beschreven. Van Stein Callenfels heeft in-Oudh, Versl. 1919, 1, bl. 10—12 aangetoond, dat hiermede de Këiut bedoeld is.

2) Over de buitenbezittingen van Majapahit zijn wij thans door den Nag. uitvoerig ingelicht. Zie Zang 13 en 14, en bl. 257—262 der editie, met de daar aangehaalde litteratuur.

3) Zie de aanteekening in het Aardr. en Stat. wdb. van Ned. Indië (1869), artikel Sumatra, III bl. 718, waar er aan herinnerd wordt, dat men den naam nog aantreft op de kaart van Valentijn.

4) In den Nag., is het waarschijnlijk verzamelnaam voor de onderhoorigheden op het Maleische schiereiland, gelijk Gurun voor den Grooten Oost. Vermelding verdient ook nog, dat volgens 42 :2 aan Kêrtanagara onderworpen waren: Pahang, Malayu, Gurun, Bakulapura, Sunda éh Madura. Met de vier eerstgenoemde zijn vermoedelijk het Mal. schiereiland, Sumatra, het oosten van den Archipel, en Borneo bedoeld. Vgl. bl. 276 der editie.

5) Over Hindu-oudheden, gevonden op het eiland Sumbawa, zie men Tijdschr. Bat. Gen. X (1861), bl. 374 en XI (1862), bl. 157. — Vgl. ook Oudh. Versl. 1914, 3, bl. 176 sq. De expeditie naar Dompo wordt nog eens afzonderlijk Nag. 72:3 vermeld.

6) Zie Riedel, De sluik- en kroesharige rassen tusschen Selebes en. Papua (1886), Hoofdstuk IX. — Vgl. noot 4 hierboven.

Sluiten