Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gunstig resultaat bekroond, daar de onderhoorigheden zich alle onderwerpen: Timbalan, Sia(n)tan, Jëmaja, Bunguran, Sérasan, Subi^ Pulaw laut, Tiyoman, Pulaw tinggi, Pëmanggilan, Karimata, Bëlitung, Bangka, Lingga, Riyaw, Bintan en Bulang '). Dit behaalde succes had de gezondenen blijkbaar geprikkeld. Nadat men-zoover gekomen was, begaf men zich naar het vasteland (tanah darat, Borneo), en onderwierp daar SambasTMëmpawah, Sukadana, waarop men verder trok naar Kuta waringin, naar Baüjar masjn, naar Pasir, naar Kutay en naar Bëraw, welke staten zich alle al evenzeer onderwierpen, en tengevolge waarvan een twee jaar *«^o) later die zelfde vloot ook nog veroveringen in het oosten,yan den archipel ging maken, en Bandan, Seran en Larantuka onderwierp, om op de terugreis ook Bima, Sumbawa, Selaparang, Bali en Balambangan te vermeesteren, en met zeer veel buit thuis te keeren 2).

Waren nu deze beide expedities, die tegen Pasay, welke de onderwerping van Djambi en Palembang in haren nasleep had, en de veroveringstocht naar de landen van den vorst van Hujung tanah, die weer verliep in een algemeene veroveringsrondreis door den Archipel, zooals men het zou kunnen uitdrukken, gelukkig afgeloopen, met een derde expeditie door Majapahit naar de buitenbezittingen, bepaaldelijk Sumatra, gezonden, ging het niet zoo voorspoedig. Na al die veroveringen gemaakt te hebben, meent Majapahit's vorst zich ook meester' te moeten maken van s^-jè ^y, (pulaw përcah),. — welke streek bedoeld is, blijkt dadelijk 3), — maar zjet tevens in, dat dit met wapengeweld niet zal gelukken en er dus een list te baat moet worden genomen, die daarin bestaan zal, "dat hij er, met een leger, een buitengewoon grooten kërbaw (een wondev-kërbaw), dien hij bezat, heen zenden zal, om ter plaatse een wedstrijd te voeren (bl. 101)4). Men begeeft zich nu naar Djambi, trekt het land in naar de bovenlanden van Djambi (hulu Jambi) en bereikt zoo Priyangan, waar patih Siwatang 5) de troepen laat inhalen,

1) De identificaties alle volgens Veth, Java, l»i« ed. II (1878), bl. 133, noot; 2<le ed. I (1896), bl. 222 noot.

2) Over deze lijst van Majapahit's onderhoorigheden, zie men de volgende literatuur (thans naar opgave van den Heer Rouffaer aangevuld): Dulaurier, Journal asiatique, 4: VII, 1846, bl. 544; Pynappel, ibid.,4: VIII, 1846, bl. 544; Logan, Journal of the Indian Archipelago, II, 1848, bl. 604, nóót; Dulaurier, Journal asiatique, 4: XIII, 1849, bl. 523; Dulaurier, Collection des principales chroniques 'malayes, I, 1849, bl. 98; Lassen, Indische Alterthumskunde IV, 1861, bl. 494; Dr. A. W. de Klerck, Lassen's Geschiedenis van den Indischen Archipel, 1862, M. 114 volgg.; Van der Tuuk, in ibid., de aant.; Veth, De onderhoorigheden van Madjapahit, in Tijdschr. v. N. I., 1867, I, bl. 88 en 293, II, bl. 96; Meinsma, Tijdschr. N. I. 1867, II, bl. 96; Marre, Histoire des Rois de Pasey, 1874, bl. 97 en 105; Veth. Java, 1»'° ed., II, 1878, bl. 133 noot, 24* ed., I, 1896, bl. 222 noot; Van Eerde, Tijdschr. Aardr. Gen. 2: XXVIII, 1911,. bl. 219.

3) Wat dezen naam aangaat, lette men er op, dat hij hier niet voorkomt, als een algemeene naam van het eiland Sumatra, maar slechts een gedeelte er van, en een zeer bepaald, aanwijst.

4) Satëlah bëbërapa lamana maka pikir sang nata samuwaha nëgëri habis taalbk mëlainkan Pulaw përcah juga yang bëlom lagi taalok baiklah aku mëhuruh Pulaw përcah dëngan sasuwatu hikmat ku-suruh mëngadu kërbaw.

5) £->V« «j'lï, elders Datu Përpatih Sgbatang.

11

Sluiten