Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar straks, zijn list stellende tegenover de hunne, met den buffel van Majapahit een uitgehongerd buffelkalf laat vechten, dat den buffel voor een buffelkoe aanziet en hem door zijn wijze van doen den strijd doet verliezen. Dan van alle kanten, na door patik Siwatang en patih Katumënggungan op een feestmaal te zijn genoodigd, overvallen, worden de Javanen op de vlucht geslagen, en gaan zij huiswaarts, waarna het landschap den naam Mënang kërbaw, „de buffel werd overwonnen", krijgt1).

Vergelijkt men deze medédeeling met de beide berichten in de Pararaton, dan zou, men juist tot een gedeeltelijk althans tegenovergestelde gevolgtrekking komen. Want bevestigt zij eensdeels, dat de eigeatlijke veroveringen nog plaats moesten hebben na 1267 Qaka, en zelfs eenige jaren daarna, daar zij eerst een aanvang namen, toen de kleinzoon van Thahir te Pasay den troon reeds bestegen had, onder de nog te veroveren gewesten ook vermeldende die, welke ook de Pararaton als zoodanig noemt, anderdeels spreekt zij het tegen, dat Sumatra's westkust, de Menangkabau'sche landen, door Majapahit reeds vóór dien tijd veroverd zouden zijn. Integendeel zij worden eerst het laatst vermeld, en men slaagt er niet 2).

Tot een zelfde besluit, nl. dat men in het Malayu van de Pamalayu der Pararaton de oostkust niet zoeken mag, maar men er Maleiers ter westkust of in de nabijheid daarvan in ontmoet, voeren ook de eerste berichten omtrent de Javanen in de Sajarah Malayu. Terwijl Java in dat boek reeds in den eersten aanvang -met den naam van Majapahit wordt aangeduid, zie de plaats boven reeds vermeld bij de behandeling van de mogelijke ligging van het Tafijung pura der Pararaton, J en dus daar het bestaan van dat rijk reeds in de elfde Qaka-eeuw verondersteld ' wordt3), geeft het boek eenige zeer opmerkelijke berichten over krijgstochten i door Java (Majapahit) ondernomen tegen de Maleiers in den Riaw-lingga archipel

1) Dit zelfde verhaal vindt men in een eenigszins afwijkenden vorm, doch niet op Majapahit toegepast, in Netscher's Verzameling van overleveringen van het rijk van Manangkabau. uit het oorspronkelijk Maleisch vertaald, in Indisch Archief, III (1851), bl. 53. — Zie nog Westenenk in Tijdschr. Bat. Gen. 57 (1916) bl. 256—258.

2) Zooals hierboven in 't licht werd gesteld, is de opsomming in de Hikayat raja-raja Pasay niet alleen een geographisch ordelijke, maar er ook eene, die de veroveringen in chronologische volgorde opsomt. Er dient hier tevens gewezen te worden op de moeielijkheid den ouderdom van die kroniek te bepalen. Aan het slot wordt als het jaartal der voltooiing .Hijrah 1235, Ja, opgegeven. Wat bedoeld is, de voltooiing van het boek of van het handschrift, wordt niet duidelijk gezegd. Hijrah 1235 is te verbeteren in Hvjrah 1230, dit jaar een jaar Ja zijnde, terwijl 1235 een jaar Alip was. Dit laatste zou ook beantwoorden aan 1819 A.D., toen Raffles, in wiens verzameling Dulaurier het boek aantrof, Indië reeds verlaten had. 1230 Hijrah = 1814 A.D. Op een vrij laten tijd van vervaardiging wijst, niettegenstaande het af breken van het verhaal reeds bij het punt tot waartoe de schrijver gekomen was, en waarna Pasay's geschiedenis nog een heel eind zou kunnen worden voortgezet, ook het vele Javaansch dat men in den tekst aantreft, en de vorm waarin het optreedt, welke die is van het Javaansch in de Maléische. wayang-verhalen en PanjWegenden.

3) Men houde hierbij echter in het oog, dat, zooals de inleiding yan den schrijver bij de Sajarah Malayu vertelt, dit boek in 1021 Hijrah = 1612 n. Chr., vervaardigd werd.

Sluiten