Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar die berichten echter uitdrukkelijk wijzen naar een lateren tijd dan die, waarover het hoofdstuk der Pararaton loopt, waarbij de hier gegeven toelich.tingen noodig waren, vinde het verdere hierover eerst beneden zijne plaats.

Zooals reeds gezegd werd, geeft de Pararaton niet aan, wanneer deze vorstin door haren opvolger vervangen werd. Wekt dit reeds bevreemding, een nauwkeuriger toezien brengt het verder nog aan den dag, dat ook andere feiten, welker vermelding evenzeer te" verwachten was, gepasseerd zijn. Naar het kader van het boek toch hadden er in dit hoofdstuk, tenzij op een opmerkelijke wijze van den gewonen regel is afgeweken, verschillende zaken bericht moeten zijn, die men nh mist. Zoo vindt men bijv. ook niet opgegeven, wanneer Arya Tadah, de patih amangkubhumi, 't zij door den dood, 't zij door zich geheel terug te trekken, van het topneel verdwijnt. Evenmin wordt er bericht wat het jaar was van het overlijden der beide dochters van Kêrtanagara, de weduwen van Kërtarajasa, die in het voorafgaande zulk eene hoewel passieve, toch belangrijke rol speelden.

Dit leidt er toe te veronderstellen, dat tusschen het slot van dit hoofdstuk en het begin van het volgende, een lacune moet bestaan. In dat opzicht'j|ijn dan de beide handschriften, welke voor dit gedeelte toegankelijk waren (B en C), op een zelfde wijze gebrekkig, en die lacune zou er dus reeds eene van vrij oude dagteekening moeten zijn, daar B en C, ten minste de teksten waarop B en C berusten, betrekkelijk oud zijn, en zij toch niet uit elkander kunnen zijn ontstaan. Dit laatste volgt toch direct daaruit, dat in beide teksten op verschillende plaatsen groote stukken worden aangetroffen, die omgekeerd in het andere hds. worden gemist. Eensdeels herinnere men zich dat bl. 24, reg. 9 — bl, 25, reg. 11 alleen voorkomt in C, dat uit Qaka 1522 is, maar gemist wordt in B, een hds. waarvan de legger van 1535 dateert, en anderdeels, dat iets lager bl. 27, reg. 26 — bl..28, reg. 8 slechts uit B kon worden gegeven, daar dat gedeelte in C niet voorkomt. Dat de verschillende handschriften dus belangrijke leemten bevatten, is duidelijk, en het is aannemelijk zulks ook hier te veronderstellen, zelfs nu de beide handschriften op dit punt uniform zijn ').

intusschen opnieuw hoe netelig de quaesties der plaatsbepalingen van deze soort zijn, en het „tegen" dient evenzeer goed onder de oogen te worden gezien als het „voor". Uit de Hikayat raja-raja Pasay zou men desnoods nog kunnen opmaken, dat in de Pamalayu van de Pararaton toch de Mënangkabausche landen staken, maar veroverd door een troepenmacht, die op de oostkust was geland, doch èn de chronologische volgorde in dat boek èn de daar berichte afloop schijnen- het te verbieden aan hetzelfde feit te denken. De verklaring van dezen volksof landnaam door Van der Tuuk, als voortgesproten-uit het omhelzen van den Islam door de Maleiers, is tegenover de Chineesche berichten, waarin men hem reeds aantreft in de 7« eeuw van onze jaartelling (Beal, I-tsing, zie de op bl. 81 sq. opgegeven literatuur) onhoudbaar, De gissing zelf heeft wel haar oorsprong in hetgeen men vindt op bl. 24 der uitgave van de Hikayat raja-raja Pasay door Dulaurier. Men leest daar: adapon dicëritërakan oleh orang yang ampuha cëritëra ada', suwatu kaum orang dalam nëgëri itu tiyada iya mau masok igama islam maka iya lari ka hulu sungay'pasangan maka karëna itulah dinamai orang dalam nëgëri itu gayu hingga datang sëkarang ini.

1) Verg. bl.- 140, noot 5, en de critische. aanteekening op bl. 35.

Sluiten