Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moest nu in de aanteekening bij het vorige hoofdstuk reeds stil worden gestaan bij het overlijden van Bhreng Kahuripan II ') en Bhreng Daha II, in dit hoofdstuk vermeld bl. 29, reg. 31 en volgg., hier moet reeds dadelijk worden geconstateerd, dat de dood van de eerste niet met name genoemde dochter (22) nergens gemeld wordll^oodat hier resten Bhreng Tumapël I (A), Paramecwara I van Pamotan (B), HyangX Wëkasing sukha I (21), Paduka Cori (25), Bhreng Matahun I (C), Bhreng Pajang I (23) en Bhreng Paguhan I (D), waar er quaestie van zijn kan ook den dood dezer personen vast te stellen. Volgt men nu daarbij een regel, die voor de hand ligt, en ook hier tot naar het schijnt niet te verwerpen uitkomsten leidt, nl. dat iemand van een voorafgaand geslacht eerder van het tooneel verdwijnt dan die behooren tot een volgend, dan vindt men den dood van deze personen aangegeven:

Bhreng Tumapël I (A), f 1308, bl. 30, reg. 1;3)

Pramecwara I van Pamotan (B), f 1310, bl. 30, reg. 19;

Hyang Wëkasing sukha I (21), f 1311, bl. 30, reg. 24 ;*)

Paduka Cori (25), f 1311, bl. 30, reg. 22;

Bhreng Matahun I (C), f 1311, bl. 30, reg. 21;5)

Bhreng Pajang I (23), f 1311, bl. 30, reg. 22; en

Bhreng Paguhan I (D), f 1311, bl. 30, reg. 22; waarmede men reeds dit resultaat heeft bereikt, dat er tot een volgend geslacht zou kunnen worden overgegaan.

In de opsomming van zooeven werd evenwel niet vermeld de Bhre Gundal, genoemd op bl. 27, reg. 26. Dit geschiedde daarom niet, omdat het verband t. a. p. alleszins onduidelijk is. In de vertaling werd aangenomen, dat er een man bedoeld is, en daarmede tevens dat er van een nog niet genoemde Bhreng Kahuripan wordt gesproken. Dit laatste is echter geenszins aannemelijk, doch het was ondoenlijk de voorkomende woorden zoo te vertalen, dat zij in 't Hollandsch even onduidelijk zouden zijn als in den tekst, welke mogelijk een fout bevat, of een leemte heeft, die niet te verbeteren of aan te vullen is, terwijl het onmogelijk is uit te wijzen of hier werkelijk van een man, dan wel van een dame wordt gewaagd. In het wilde gissende, zou men er de ongenoemde zuster van Hayam

1) Het Panggih, waar zij is bijgezet, is teruggevonden ten Noorden van Majapahit; zie Tijdschr. Bat. Gen. 56 (1914) bl. 317 sq. Een zich daar bevindend voetstuk draagt het jaartal 1294, vermoedelijk dat der bijzetting. Verg. Inl. t. d. Hindoe-Ja*, kunst (1920), II bl. 147 sq.

2) Nu uit den Nag. gebleken is, dat de titel dezer prinses Bhreng Lasëm was. moet de mogel^heid openblijven, dat het deze vorstin was, die in 135B(bl. 30, reg. 36) overleed. Dit late jaartal maakt het echter waarschijnlijk, dat haar nichtje Bhre Lasëm IL^de Schoone, bedoeld is, dus overeenkomstig Brandes' opvatting.

3) Diens bijzetplaats lag te Japan, de oude naam voor MadjatóSrta (Nag. bl. 264).

4) Over diens (niet vermelde) bijzétplaats verg. Bijdr. Tl. Lnd. Vk. N. 1.75 (1919) bl. 25—27.

5) Diens bijzet plaats Tigawangi.is ongetwijfeld de tempel van dien naam bij Paree in Këdiri. Zie Inl. t. d. Hindoe-Jav. kunst, II bl. 133-138.

Sluiten