Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar het hier op aankomen zou, eenig licht zou kunnen verspreiden over het; laatste gedeelte van de Pararaton, en men neme de uiteenzetting dan ook voor niet meer dan waarvoorf'zij gegeven wordt, een poging om den weg te vinden of te wijzen, waar men het voetspoor zoo gemakkelijk bijster worden kan.

De bgzonderhehl_in dit hoofdstuk, waarop nog de aandacht moet worden gevestigd, en die tot nog toe. voorbij werd gegaan, is deze, dat Bhre Wrrabhümi, Rajasanagara's (Hayam wurukrs) zoon uit een rabi haji, als kind werd aangenomen door een Bhre Daha. Het zou voor het inzicht in Hoofdstuk XII van zeer veel belang zijn te weten, wie daarmede bedoeld is. Zooals uit de uiteenzetting boven blijkt, waren er tot in 1338 Qaka drie Bhre Daha's, die althans genoemd werden:

Bhre Daha I, de gemalin van Kërtarajasa,

Bhre Daha II, diens dochter, de zuster van de eerste prabhu istri, en Bhre Daha III, de achterkleindochter van den echtgenoot van deze vorstin. Dat het de laatste wezen zou, die .Bhre Wirabhumi tot zoon had aangenomen, is volslagen ondenkbaar, daar zij, van moederszijde gelijkgradig met een dochter van hem, ook van vaderszijde als een zijner kinderen ') te beschouwen is. Evenmin is het te denken, dat het Bhre Daha I, zijne overgrootmoeder, was, en zoo rest er dus, wat ook de gedachte is, die zich het eerste opdringt, slechte Bhre Daha II. Dit laatste zou ook in overeenstemming zijn met het feit, dat haar dood, zie boven, eerst later wordt vermeld, tusschen 1293 en 1298, en de omstandigheid, dat zij zijn jougere grootmoeder zou kunnen heeten, is, hoewel er in zulk eene adoptatie iets vreemds zou liggen, vooral bij de Javanen, die de geslachten zoo sterk uiteen plegen te houden, toch niet voldoende om de mogelijkheid er van geheel te ontkennen. Hoe dit intusschen ook zij, zooals men bij Hoofdstuk XII en XIII zien zal, waar op deze zaak terug zal dienen te worden gekomen, ook zoo zjjn de bezwaren nog geenszins uit den weg geruimd.

HOOFDSTUK XI.

Bhra Hyang Wigesa, als honing Aji Wikrama. Caka 1311—1322. Bhra Hyang Wicesa wordt koning (prabhu).

Daarop heeft er een bergstorting2) plaats in de wuku Prang bakat, in Qaka 1317. Vervolgens sterft Gajah ënggonrin Qaka 1320, na zevenentwintig jaar apatih

1) In de eerste editie stond: kleinkinderen, hetgeen het betoog klemmender maakte, doch gebleken is onjuist te zijn, als berustend op de opvatting van Bhre Tumapël I als stiefzoon (en niet als echtgenoot) van de prabhu istri; verg. bl. 168, uoot 2 en 3. Het blijft echter waar, dat Bhre Wirabhumi een graad hooger staat dan Bhre Daha III, en dus een adoptie door die laatste zeer onwaarschijnlijk is.

2) P.: uitbarsting.

Sluiten