Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorlog hier andere zijn, ja, het zelfs met Raden Gajah, die Bhre Wirabhómi versloeg en onthoofdde, anders afloopt, daar hij, zooals het volgende hoofdstuk leert, wegens dien moord later van kant gemaakt wordt, doch dit allés kan de overeenkomst in die enkele, en zeer belangrijke hoofdlijnen niet te niet doen. Is he\ juist gezien, dat de Damar wulan roman in zijn opzet inderdaad berust op hetgeen er in die jaren is voorgevallen, dan is men, en zulks kan in zekeren zin een winst Worden geacht, thans ook in staat om eenigszins de waarde van dat verhaal te schatten; en wellicht zal het ons straks gegeven zijn na te gaan, hoe het langzamerhand den vorm heeft gekregen, waarin wij het hebben leeren kennen. Dat men daarbij vooral het oog zal hebben te richten op de oudste der redactie's, welke er van bestaan, dus die, welke Roorda van Eysinga kende, en de dadelijke variaties daarvan, behoeft hier wel niet in herinnering te worden gebracht, waar het daarentegen weer wel van belang kan zijn er op te wijzen, dat Raden Gajah hier, behalve Bhra Narapati, ook ratu angabhaya wordt genoemd ').

Wat de waarde van dezen titel is, werd boven bij Hoofdstuk IV reeds gezegd, is niet met zekerheid uit te maken, doch zoowel hier als daar moet men vermoeden, dat de rang een vrij hooge was, èn om het gebruikte ratu èn vooral om de verhouding, waarin Rangga wuni (Wisnuwardhana)-en Mahisa campaka (Jfarasingha) tot elkander stonden 2).

Jingga geschaakte prinsessen, Dewi Wahita en Dewi Puyëngan, bij zich aan zijn hof.had; en ook de vraag te worden gesteld of Wahita soms nog een reminiscens aan het Dewi Suhita van dit hoofdstuk zou kunnen zijn. In Menak koficar zou Bhre Tumapël kunnen schuilen.

1) Narapati als titelnaam komt ook in den Nag. (12:3; 66:1) voor; deze persoon is daar patih van Daha, en broeder van den vorst van Wëngkër (= Pramecwara I van Pamotan, h^rboven B). Over den ratu angabhaya zie bl. 77, noot 7.

2) Van het Damar wulan verhaal bestaan er verscheidene redacties, onder welke de tekst die aan Roorda van Eysinga bekend was, en die een andere is dan de door Wittttr gebruikte, zeker de oudste is, zooals reeds bekend werd gesteld in Nog eenige Javaansche piagëm's uit het Mohammedaansche t^xak, afkomstig van Mataram, Bantën en Palembang, Tijdschr. Bat. Gen. XXXII (1889), bl. 594. Van het begin van deze redactie bezit het Bat. Gen. een exemplaar op palmblad, met oud-Javaansch schrift geschreven. De sengkala er in is mmtri-kud^bah^ringrat, 1673 = A. D. 1748. Wat Roorda van Eysinga van het boek zeide, in zijn Handboëk, UI, 2 (1832), bl. 30, „in het laatst der vorige eeuw is zij uit een Javaansch handschrift, dat in eene oudere Javaansche taal geschreven was, in een Javaansch dat aan het tegenwoordige gelijk staat overgebragt", is dus geenszins zoo onjuist als men wel gemeend heeft, tenzij men hier bepaald wil vallen over taal in plaats van schrift, die beide, ook nu nog, zoo menigwerf met elkander verward worden. De Hollander was onnauwkeurig, toen hij in zijn Handleiding bij de beoefening der Javaansche taal- en letterkunde (1848), bl. 228 (A, n°. 47) „oud-Javaansch" in de plaats stelde van wat men bij Roorda van Eysinga vindt. Van dezen tekst bestaan verscheidene variaties, welke vooral in het naspel, de lotgevallen van Damar wulan als hij koning geworden is, onderling sterk afwijken. In de verzameling te Leiden wordt deze redactie vertegenwoordigd door n». CXIX (Cod. 1845) en CXX (Cod. 1838) van den Catalogus van Prof. Vreede (1892). Een tweede is die, welke Winter in proza overbracht, zie Tijdschr. Bat. Gen. IV (1855), bl. 199, en Verh. Bat. Gen. XXX (1863), en waarvan de Hollander, in zijn Handleiding van 1848, op bl. 158 en volgg., het begin uitgaf. Hier luidt de sëngkala wil-obah-nunggang-jalma, 1765; te Leiden CXIV (Cod. 1797), CXVII (Cod. 2117)? en CXV (Cod. 2152), de proza-bewerking. Ten derde vindt men de redactie, welke door de ftrma van

Sluiten