Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van welke de scheeden gebroken waren, met het verzoek deze in orde te latëh brengen. Had hij ze bij de beide anderen weer kunnen laten wegstelen, ditmaal gelukt het niet; de freules zijn den Javaanschen dieven te slim af. Zoo doen ook de jonkers dingen, die de verbazing wekken. Tun Bijasura jaagt een hond, die aan een gouden ketting lag, zulk een schrik aan, dat deze losbreekt, en wegloopt, en Hang Jëbat en Hang Kasturi veroorloven zich de vrijheid in een anders slechts door den vorst alleen persoonlijk gebruikte balay te gaan zitten, zonder er zich vandaan te laten jagen, hoeveel moeite men er zich ook voor geeft, met dat gevolg dati de vorst van Majapahit hun dat nu verder dan ook maar toestaat. Maar onder al die jonkers, van wie met name ook nog genoemd worden Hang Lakir, Hang Lakiyu, Hang Ali, Hang Sëkandar, Hang Hasan, Hang Husen ') en Hang Tuwah, was deze laatste de meest in het oog loopende persoon, bij de mannen gerespecteerd, door de vrouwen bewonderd en door de meisjes bemind; er werden zelfs liedjes op hem gemaakt, evenals dat ook geschiedde op een der krijgers van Daha, Sangkaningrat2). De vorst van Majapahit geeft dan ook straks zijne toestemming tot het huwelijk. Na groote feesten, gedurende welke Tun Bijasura nog een paar stukjes uithaalt 3)', heeft het plaats, en eenigen tijd daarna vraagt Sultan Mansur Shah aan zijn schoonvader verlof om met zijne vrouw, de prinses-van Majapahit, Raden Galuh Candrakirana, naar Malaka terug te gaan. Als dit hem is toegestaan en hij gereed is om te vertrekken, zendt hij Tun Bijasura tot den batara om Indragiri voor hem te vragen. Het werd hem geschonken. Dan zendt hij nog Hang Tuwah om, ook Siantan te verkrijgen 4), wat evenmin geweigerd wordt, want zelfs Palembang zou er nog bij gegeven worden, zoo er om gevraagd werd. Mansur Shah schijnt echter reeds tevreden te zijn geweest, want hij vertrekt daarop naar Malaka, waar de Majapahitsche prinses later van een zoon, Raden Këling ijd?), bevalt5).

Al is hier de voorstelling een geheel andere, en ook de uitslag niet dezelfde, beide mededeèlingen, èn de Chineesche èn de Maleische, doen ons weten, dat er tijdens het bewind van Mansur Shah door Malaka pogingen, met meer of minder

1) De laatste vier namen zijn een uitbreiding. Als de gezellen van Hang Tuwah worden gewoonlijk slechts Hang Jëbat, Hang Kasturi, Hang Lakir en Hang Lakiyu genoemd.

2) De pantim's worden medegedeeld, doch zij zijn niet terecht te brengen. Van Hang Tuwah's heldendaden wordt slechts iets te voren wat medegedeeld, nl. het geval met den Javaanschen cwiofc-looper, dien hij overhoop steekt lang voordat men van Malaka vertrok; ook wordt zijn krijgskreet „geef mij een Lakgamana (admiraal) Om mede te vechten", vermeld, die hem den bijnaam van den Laksamana bezorgde.

3) Bij alles wat de Maleiers aan het hof van Majapahit doen zijn zij, bestudeerd, zoo onwellevend mogèHjk.

4) Ook de vorm der vragen hier is "zulks in hooge mate: jakalaw dianugrahakan sabaikbaikna, jakalaw tiyadapon diambil juga.

5) Het overige van dit hoofdstuk, dat over Hang Tuwah handelt, heeft met het oog op Majapahit geen beteekenis. Slechts dient er nog uit vermeld te worden, dat Mansur Shah den vorst van Indragiri, dien hij tot zijn schoonzoon maakt, niet naar zijn rijk terug laat gaan, blijkbaar omdat hij zich nu als zijn souverein beschouwt.

Sluiten