Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daha IV worden, want de in 't voorafgaande voorkomende Bhre Daha I (Körtarajasa's gemalin), Bhre Daha II (Kërtarajasa's dochter), en Bhre Daha III, de dochter van Bhre Pandan salas I, waren allen, zooals aangenomen worden moest, reeds overleden, zie voor de laatste bl. 31, reg. 21.

Is dit intusschen^zoo goed en zoo kwaad als dat ging, vrijwel uitgemaakt, er doet zich hier een andere vraag voor, en wel deze, of deze Bhre Daha IV niet in een nader verband stond tot Bhre Wirabhumi. Dit moet zonder twijfel worden aangenomen.

Zooals men gezien heeft, wordt in dit hoofdstuk, dus na den dood van Hyang Wigesa-en de prabhu 'istri II, in Qaka 1351, Raden Gajah, die in 1328 Bhre Wirabhümi versloeg en onthoofdde, juist om deze daad, in Qaka 1355, zelf van kant gemaakt, ingilangakën pinadosa amëki Bhre Wirabhumi. Moet hij om die heldendaad tijdens de vorige regeering, van Hyang Wigesa en de prabhu istri II, in tel en in eere zijn geweest, er moet daarna een andere factie aan de bovenhand zijn gekomen, en wel juist eene, die den aan Bhre Wirabhumi aangedanen dood, nu blijkbaar moord genoemd, niet billijkte, dus een partij, die het weer voor Bhre Wirabhümi opnam, ook al was zijn ondergang reeds iets van meer dan twintig jaren her. Het ligt dus inderdaad voor de hand te veronderstellen, dat de daarop in 1359 Qaka aan het bewind komende Bhre Daha IV iemand was, die tot Bhre Wirabhümi in relatie stond. Het zou toch zeer begrijpelijk zijn, dat zij het tot den troon had gebracht, juist gesteund door, misschien ook als hoofd van de partij, die, toen daartoe de gelegenheid zich ten laatste voordeed, gemeend heeft" den dood van Bhre Wirabhümi te moeten wreken, door op hare beurt zijnen moordenaar gewelddadig te dooden, en dit dwingt dan wederom om te vragen of in deze Bhre Daha IV wellicht niet tevens teruggevonden wordt de Bhre Daha, van wie sprake is in het gedeelte, dat over de parëgrëg handelt, en door Bhra Hyang Wigesa. uit Bhre Wirabhümi's oostelijk rijk werd weggevoerd, of misschien ook die, welke hem tot kind aannam, welke beiden ook wederom dezelfde persoonzouden kunnen zijn ').

Zooals boven beredeneerd werd, werd Bhre Wirabhümi tot zoon erkend door Bhre Daha II, de dochter van Kërtarajasa, zie bij Hoofdstuk X. Het werd daar reeds toegegeven, dat er eenige bezwaren zijn, maar het bleek nog duidelijker dat Bhre Daha I en Bhre Daha III buiten rekening moesten worden gelaten. Eene mogelijkheid rest er nog, misschien was de pleegmoeder van Bhre Wirabhümi ook Bhre Daha II niet, doch een ander, over wie de Pararaton in het voorafgaande geen verder licht geeft.

Bij Hoofdstuk XII werd er verder stil gestaan bij de vraag, wie of wal de Bhre Daha, welke in de parëgrëg genoemd wordt, wel wezen kon. Het werd

1) Deze redeneering vervalt mtttfarlijk door het aanvaarden der in den aanhef dezer Aanteekening uiteengezette opvatting j Bhre Daha IV was dan geen vrouw en ook geen koningen) van Majapahit.

Sluiten