Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar reeds uitgemaakt dat zij niet was Bhre Daha II, terwijl de mogelijkheid verondersteld werd, dat men in haar Bhre Daha III te zien had, en tevens werd er een enkel woord gewijd aan de redenen, die Bhre Tumapël III b (39) en Bhra Paramegwara II (47) konden doen weifelen bij het partijkiezen óf voor Hyang Wigesa of voor Bhre Wirabhumi, zie noot 1 op bl. 180, waarin de familierelatie van deze beide personen tot de beide tegenover elkander staande vorsten nog eens Uiteengezet werd, en het bleek daar niet, dat Hyang Paramegwara, tenzij hij als schoonzoon van Bhre Tumapël III b (39) zich geheel bij zijnen schoonvadér aansloot, eenige reden gehad zou hebben de partij van Bhre Wirabhümi te kiezen •), iets wat met Bhre Tumapël wel het geval scheen, in zoo verre als deze, hoewel een zoon van Hyang Wigesa, doch geenszins zijn aangewezen troonsopvolger, daar Dewi Suhita daarvoor in aanmerking kwam, ook de schoonzoon was van Bhre Wirabhümi.

In dit hoofdstuk ontmoet men aan het slot een -in een zeker opzicht merkwaardige mededeeling. Wellicht dat deze iets verder kan brengen. Er dient toch op gewezen te worden. Dit geschiede in verband met het voorafgaande.

Er wordt daar medegedeeld, dat de prabhu istri III, een ander dan deze kan niet bedoeld zijn, men zie slechts bl. 31, reg. 28, waar de dood van de prabhu istri II (Dewi Suhita) reeds geconstateerd is2), begraven wordt in een heiligdom Singhajaya, waarin reeds iemand bijgezet was, tunggal dhinarma, bl. 31, reg. 37, terwijl het verder blijkt, dat in datzelfde heiligdom een jaar te voren in 1368 Qaka de asch van Bhra Paramegwara II was geplaatst, over wiens 'persoonlijkheid met de door de Pararaton verstrekte gegevens ook al niet getwijfeld worden kan. De vraag doet zich voor, in welke relatie stonden deze beide personen tot elkander, dat men hun asch na hun dood op zulk eene wijze, op één en dezelfde plaats, ter ruste bracht.

Toevalligerwijze geeft de Pararaton van zulk-een plaatsen van de asch van twee personen in één heiligdom nog een paar voorbeelden. Men vindt het o. a. op bl. 32, reg. 4 en 6. Zoowel Bhre Paguhan als Bhre Pajang, wie deze personen waren bleek boven bij de uiteenzetting in de aanteekening op Hoofdstuk X, nl. Bhre Paguhan II (42) en Bhre Pajang II (45), worden begraven te Sabyantara, welk feit ook daar, waar het de laatste dezer beide personen betreft, uitdrukkelijk wordt aangeduid met dezelfde uitdrukking, tunggal dhinarma. Kon het nu worden uitgemaakt wie deze personen waren, het bleek' tevens dat zij, hoewel halfbroeder en halfzuster, met elkander in het huwelijk waren getreden, en Sabyantara omsloot dus na hun dood de asch van man en vrouw.

Zou ditzelfde nu ook het geval hebben kunnen zijn in het heiligdom Singhajaya? Zulk eene veronderstelling ligt voor de hand en leidt ook tot eenige onverwachte uitkomsten. Aangenomen dat dit het geval was, dan volgt er uit

1) In Tijdschr. Bat. Gen. 57 (1916;, bl. 28 wordt de mogelijkheid geopperd, dat Para■ mecwara wellicht zelf rechten kon doen gelden op den door zijn vrouw bezetten troon.

2) Vgl. echter het begin dezer Aanteekening.

Sluiten