Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tijdens de parëgrëg vorstin was, toenmaals dan nog ongehuwd was gebleven, en er in den titel ratu angabhaya, voor lieden van latere dagen, wel eens, ten onrechte, schijnbaar iets gescholen kan hebben, dat hen heeft doen vermoeden, dat Raden Gajah met Dewi Suhita, d. i. de prabhu istri II, in 't huwelijk is getreden

,In dit hoofdstuk wordt het laatst een patih vermeld, Tuhan Kanaka, die in 1352 Caka, zoo moet er in plaats van 1363 gelezen worden, overleed, nadat hij 17 jaar de functie had bekleed. Boven werd zoo goed als niet bij die patih's stilgestaan. Dit geschiedde om daar meer uitsluitend de geloofwaardigheid van de Pararaton in het licht te stellen en zich te blijven bepalen bij de genealogie der voorkomende personen van vorstelijk geslacht. Ook is het beter alles wat er van hen gezegd wordt, die als hoogste rijksdienaren zeer op den voorgrond tredende personen waren, op een enkele plaats te vergaren en te bespreken, waarvoor dit hoofdstuk,juist de plaats schijnt.

Met dit hoofdstuk toch begint de Pararaton, die in het laatste gedeelte van het voorafgaande al veel abrupter was dan in het begin, zoo kort en onduidelijk te worden, dat men zelfs niet meer kan ontdekken in welke verhouding de personen, die nog verder genoemd worden, in verband stonden tot die welke in het voorafgaande voorkwamen. Moest dit reeds opgemerkt worden omtrent de vorstin, die juist aan het bewind was gekomen, het geldt, zooals men zien zal, niet minder van de nog verder voorkomenden, behalve dan van die enkelen, wier afsterven hier of later nog vermeld wordt (Bhre Lasëm, Bhra Paramegwara, Bhre Këling, Bhre Jagaraga, Bhre Kabalan en Bhre Pajang), en boven bij Hoofdstuk X reeds behandeld werd. Behoudens dezen, en dan nog Raden Gajah, van wien reeds gesproken werd, de regeerende vorstin, en deze nog sléchts gissender wijze, en Tuhan Kanaka, vinden wij hier en in het vervolg, behoudens een twijfelachtige Uitzondering, zie het volgende hoofdstuk, niemand meer terug, die reeds bekend was.

De eerste patih, die genoemd wordt, is Pranaraja, tijdens Tohjaya, zie Hoofdstuk III. Op het feit dat er blijkens de inscriptie van 1216 Qaka, aan het hof van Kërtarajasa (Raden Wijaya) een zeer hooge ambtenaar was van dezen naam, werd reeds gewezen bij Hoofdstuk VI (bl. 101).

Tijdens Kêrtanagara vindt men eerst Raganatha, die zich terugtrekt, en daarna Këbo tëngah = Panji Aragani, zie Hoofdstuk V.

Wie patih was onder Kërtarajasa, wordt in de Pararaton niet vermeld.

Daarna vindt men onder Jayanagara Mahapati in deze functie. Hierover

1) Zooals reeds werd opgemerkt, is de waarde van den titel ratu angabhaya onzeker, zie de aanteekening bij bet vorige hoofdstuk (bl. 182). In de lakon Damar wulan huwt de held van het verhaal met de vorstin, maar vindt hij het goed slechts senapati (veldoverste) te worden en vereenigd te blijven met Aftjasmara (wondening raden Damar wulan sampun trima dados senapati kimawon, Mus këpanggih kalih ni Ahjasmara), Tijdschr. Bat. Gen. XXXVIII <4895), bl. 465.

Sluiten