Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan niet getwijfeld worden, al ziet men daarnaast bericht, dat Nambi, "Wiraraja's zoon, zie Hoofdstuk VIII, bl. 25, reg. 18, als zijn vader heengaat, als apatih achterblijft. Uit het vervolg toch blijkt het, dat die titel zelf, althans voor een tijd, een eenigszins mindere waarde heeft gehad, en dat wat vroeger en later uitsluitend apatih (ofpatih) heette, amangkubhumi of amancanagara werd genoemd. Dit laatste moet Mahapati\zijn geweest, en deze bleef dit tot aan zijnen dood, bl. 26, reg. 14, in 1241 Qaka, het jaar waarin de pakuti plaats had, die negen jaar voor de patahca (in 1250 Qaka, zie bl. 27, reg. 10) voorviel.'

Na hem bekleedde Arya Tadah die functie. Dit blijkt bl. 26, reg. .30, waar zijn naam genoemd wordt, nadat er eerst van den amancanagara gesproken is, die niemand anders was dan de amangkubhumi van dien naam, terwijl het tevens aan het licht komt, waardoor de titel apatih en décadence was geraakt'), nl. omdat deze ook in gebrnik was in wat men de regentschappen, de vasalstaten van Majapahit zou kunnen noemen, van welke daar Daha wordt genoemd. Deze Arya Tadah was de fautor van Gajah mada, die inmiddels patih van Daha was geworden. Als hij oud is geworden, verlangt hij, dat deze in zijne plaats treden zal, apatiha ring Majapahit, bl. 27, reg. 32, waartoe Gajah mada echter nog niet durft over te gaan.

Toch volgt deze hem op. Wanneer dat geschied is, is niet zeker 2). Bl. 28, reg. 20 wordt hij apatih amangkubhumi genoemd, terwijl bij bl. 28, reg. 7 daarmede nog niet bedoeld is, daar hij bl. 28, reg. 17 eerst nog angabehi wordt, welke uitdrukking in 't verband evenwel niet duidelijk is; ook schijnt intusschen Arya Tadah, zie bl. 28, reg. 27, nog niet geheel uitgediend te hebben. De patih ing Majapahit, genoemd op bl. 28, reg. 32, is zonder twijfel weer Gajah mada, en ook dit wijst er op, dat er voor het tumuli pasundabubat, bl. 28, reg. 29, een lacune moet zijn, want feitelijk wordt noch van zijn aanvaarden van die betrekking, noch van het werkelijk aftreden of het overlijden van Arya Tadah iets vermeld. Slechts vindt men op bl. 29, reg. 16, opgegeven, dat Gajah mada in 1279 Qaka sinds 11 jaren amangkubhumi was. Hij moet het dus geworden zijn in 1268. In 1290 Qaka overlijdt hij, bl. 29, reg. 28 3).

Gedurende een drietal jaren wordt er geen nieuwe patih benoemd, alsof Gajah mada niet te vervangen is geweest4).

1) Uit den Nag. en de oorkonden blijkt, dat "Gajah mada's titel als rijksbestierder nog steeds patih van Majapahit was. Van décadence was dus geen sprake, misschien is dat het geval geweest, toen dit deel van de Pararaton geschreven werd, en heeft de auteur den toestand uit zijn eigen dagen naar een vroeger tijdperk verlegd.

2) Volgens Nag. 71 :1 in 1253. Daarmede komt overeen, wat de nieuw gevonden passage bovenaan blz. 28 vermeldt: sira Gajah mada sinëmbahaken patih ring Majhapahit, in verband met de ook door de Pararaton in 1253 gestelde pasadeng.

3) Zoowel die elf jaar als het overlijden in 1290 zijn onjuist (ten rechte 1286). Zie bl. 138, noot 1, en bl. 166, noot 1. Is het jaartal 1293 van Gajah ënggon's optreden juist, dan duurde de periode zonder patih dus zeven in plaats van drie jaar.

4) Die motiveering wordt in Nag. 71 :3 dan ook gegeven.

Sluiten