Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met dien verstande, dat hij in het eerste geval met Raden Alit een en dezelfde persoon zou zijn geweest').

Een ieder zal moeten toegeven, dat bij alle overeenkomst hier toch verschil bestaat, en dat het moeielijk is in den doolhof een weg te vinden. Nog bezwaarlijker wordt het, als men daarbij ook nog gaat letten op de berichten bij anderen voorkomende, als Roorda van Eysinga en Hageman2), welke, althans die van Hageman, daarenboven ook al niet als zuivere referaten mogen worden beschouwd, aangezien men er berichten van verschillende zijden ontvangen, dooreen verwerkt in vindt3). Zoodoende is men aangewezen zich zelf een weg te banen door zelfstandig inlandsche bronnen te raadplegen en dat zou . hier dan ook reeds dadelijk zijn geschied, ware het niet, dat men bij Raffles ook op dit punt verschillende bijzonderheden aantreft, die tot nog toe in geen Javaanschen tekst konden worden teruggevonden, en toch door hem niet verzonnen kunnen zijn. Daarop mag de aandacht wel gevestigd worden, of ten minste verdienen zij in de herinnering levendig te worden gehouden, tot bij tijd en wijle iemand de gelegenheid zal hebben gehad Raffles' verzameling van handschriften, te Londen, eens behoorlijk na te zien *).

1) De veroveringen van Majapahit hebben plaats in de eerste plaats en vooral onder Ardiwijaya, nl. die van Singapura, waar Sri Sin üérga zou geheerscht hebben en vele andere, die niet nader worden aangeduid, bl. 120; onder Mërtawijaya, wiens patih Gajah mada was, van Indragiri, ibid.; en onder diens opvolger of opvolgers van Palembang, en de zuidelijke staten van Borneo, ibid. en 121, Balambangan en Bali (opnieuw), 121 en 125, van Makasar, Goa, Banda, Sumbawa, Ende, Timor, Ternate, Sulu, Seram, Mpila en Burni, bl. 132% terwijl de Prabu kanya, Kaficana wungu, gezegd wordt een zuster te zijn geweest van Angkawijaya, bl. 121.

2) Bij Crawfurd, History of the Indian Archipelago (1820), vindt men over Majapahit, voorzichtigheidshalve, zoo goed als niets, II, bl. 301; Roorda van Eysinga, Handboek der land- en volkenkunde, geschied-, taal-, aardrijks- en staatkunde van Nederlandsch-Indië (ook onder den titel Indië ter bevordering der kennis van Nederlands Oost-indische bezittingen), Boek III, deel I, 1843, bl. 501 en 293 en volgg. ('t eerste als zooveel anders in dat boek uit Raffles overgenomen); Hageman, Handleiding tot de kennis der geschiedenis, aardrijkskunde, fabelleer en tijdrekenkunde van Java, 1852, I, bl. 18 en volgg.; men zie ook Hageman's Algemeene geschiedenis van Java, van de vroegste tijden af aan tot op onze dagen, in Indisch Archief Ie Jg., deel II (1850), bl. 135 volgg.; Gbrdijn's vertaling van 't begin van een babad, uitgegeven door van Iperen in Verh. Bat. Gen. I—III (1779—1781); Mounier in Indisch Magazijn (1845).

3) Werd in de vorige noot voor Roorda van Eysinga reeds naar Raffles verwezen, ook bij Hageman kan dit geschieden; maar bij hem dient op nog meer te worden gelet.

4) De verzamelingen van Raffles, Crawfurd en Mackenzie te Londen zijn vooral van belang om hare oudheid tegenover latere verzamelingen, als die van Gericke, in 't Ned. Bijbelgenootschap te Amsterdam, om hier slechts de oudste onder de jongere te noemen. Voor de geschiedenis van de Javaansche letterkunde, en dus ook van de Javaansche traditie, die beide sedert zeer aangezwollen en ook gewijzigd zijn, is een onderzoek van die verzamelingen door iemand, die daartoe behoorlijk in staat is, zeer gewënscht. Zonder twijfel vindt men er de oudste producten der nieuw-Javaansche litteratuur, na de herleving der Javaansche letteren in 't einde der vorige en het begin 'van deze eeuw, in terug. Van hoeveel gewicht dit is, waar men te doen heeft met een middeleeuwsche litteratuur als de Javaansche er een is, behoeft voor hem, die eenig begrip heeft van de onderzoekingen, die verricht moeten zijn vóór men eenige orde in den chaos zal kunnen ontdekken, niet uiteen-

Sluiten