Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschriften bestaan, die in den trant van een geschiedverhaal den ouderen tijd uitvoerig beschrijven.

Hierbij dient men toch vooreerst in het oog te houden, dat eensdeels die eerste serie van geschriften juist leverde wat men in een beknopten, zelfs zeer beknopten vorm in dat eerste gedeelte der babad terugvindt, en anderdeels dat, terwijl de Javanen den inhoud dier juist bedoelde boeken zijn gaan beschouwen als hun eigen eigendom, en zóó als een deel van hun oudere geschiedenis, zij in die uitvoerigere babad's over den ouderen tijd ook al weer niet anders leveren dan >men in deze geschriften aantreft, onder voorbehoud alweer dat men den inhoud daarvan niet altijd even correct (vergeleken met die geschriften) er in terugvindt.

Wat daarvan de reden is, zij hier in hèt kort even aangegeven x).

Als men, voor zoover dat nu reeds mogelijk is, de geschiedenis der Javaansche letterkunde in 't algemeen de revue laat passeeren, dan blijkt het, dat deze na een aanvang genomen të hebben, steeds meer en meer aangroeide, zich ondertusschen herhaaldelijk ook repeteerende. Terwijl er van het oudere verloren gaat, blijft een gedeelte er van bestaan, wordt er weer een gedeelte in een nieuwen vorm gebracht en ziet men ook nieuws verschijnen, waardoor het voorhandene, dat in volumen afnam, aan de andere zijde weder op tweeledige wijze aangevuld of verrijkt werd. Dit proces herhaalt zich, als bij alle middeleeuwsche letterkunde, verscheidene malen, niet op alle punten natuurlijk even druk of gelijkmatig, met zekere schokken slechts, en nu bij voorkeur in het eene onderdeel en dan weer in een ander. Daarbij heeft nu ook de beoefening der letteren bij de Javanen, wier letterkunde inderdaad een volslagen middeleeuwsche is, evenals men dat overal elders bij een dergelijke literatuur aantreft, steeds ook als een te beoefenen kunst hoog gestaan, een kunst intusschen, die geenszins los was van banden, maar integendeel, hoewel zulks niet gereglementeerd was, toch steeds in zekere vormen bevangen was en bleef. Van een vrijheid van handelen, een vrije keuze van onderwerp, een vrije dictie, een eigen gedachte uitgedrukt in het geleverde, geen spoor, want met dit alles is niet te verwarren het verschil in taal door lengte van tijd, het verschil in voorstelling uit een zelfde oorzaak geboren, of wat meer een onderling verschil in de verschillende overeenkomstige geschriften in het leven kan hebben geroepen, doch niet voortkomt uit een vrije, zich zelf bewuste en toegepaste, individualiteit van de auteurs. De Javaansche literatuur is, ook daar waar zij van leven getuigt, een kunstige, en een kunstmatige, zooals een ieder

waard, daar het een der fraaiste Javaansche boeken van nieuweren tijd is, vooral in de van de oudere niet zoo heel veel afwijkende nieuwere redactie, die in 1873 bij Jonas Portier verscheen, en'later in 1888 nog eens door van Dorp & Co., Sëmarang, werd uitgegeven. De Babad bëdah kuta Mangir of wat daarin verhaald wordt, werd ook in de bij die zelfde firma verschenen Babad tahah Djawi, Deel I—IV, 1885—1890, verwerkt, nadat zij afzonderlijk reeds in 1873 ter zelfder plaatse verschenen was. K 1) Sedert is een uitnemende „Karakteristiek der Javaansche geschiedbeschrijving" gegeven door Dr. Hoesein Djajadiningrat aan het slot zijner Critisehe beschouwing van de Sadjarah Bantën (1913), bl. 289—311.

Sluiten