Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dochter van een widadari Nawangwulan en den kyai gëde, huwt, op deze wijze geparenteerd rakende aan Ku dus, want deze kyai gede was de in de wildernis geboren, door randa Tarub aangenomen zoon van de dochter van ki agëng Këmbang Lampir en een weggeloopen zoon van kyai agëng Kudus. Kyai agëng Tarub geeft Bondan kajawan den naam Lëmbu pëtëng ').

Het nieuwe geloof had ondertusschen groote vorderingen gemaakt. Op verschillende plaatsen zaten sunan's; zoo was er o. a. ook nog een zekere Seh Aripin, die na zijn dood te Pamalang begraven werd.

Brawijaya zendt daarom Gajah mada tegen Giri. De sunan daar werpt zijn schrijfstift (kaiam), onder een gebed, neer; deze wordt een kris, de kalam of Kala mufiëng2), en verjaagt den vijand. Na des sunan1» dood, als 'zijn kleinzoon Sunan Prapen hem is opgevolgd, trekt men «op nieuw tegen Giri op. Men breekt het graf open, doch wordt door de daaruit te voorschijn komende wespen3) naar Majapahit teruggedreven. Raden Pat*ih wordt nog eens opgeroepen. Hij weigert te komen, komt zelfs in opstand en nu trekt men, de verhouding is een andere geworden, vereenigd met Madura, Tuban, Surabaya en Giri, tegen Majapahit op. Brawijaya vaart met al wie hem nog trouw waren gebleven,1 ten hemel. De glans (majesteit, cri, voorgesteld door een andaru) van Majapahit gaat over op Bintara. Gedurende 40 dagen neemt Giri het opperbewind waar. Dan wordt Raden Patah, Senapati Jimbun, tot sultan van Dëmak gehuldigd.

Ook bij de Sërat kanda vangen wij hier het verhaal aan met de stichting van Majapahit, die volgens dezen tekst in 1221 A. J. zou hebben plaats gehad... Men vindt hier een geregelde reeks van jaartallen (1221, 1223, 1229, 1234, 1250, 1267, 1270, 1301, 1308, 1320, 1327, 1328, 1329, 13.2, 1398, 1399, 1400), waarop intusschen vermoedelijk al zeer weinig te vertrouwen is. Toch verdient het verhaal, zooals het hier gedaan wordt, zonder twijfel zeer de aandacht, al dient men het wellicht voor het grootste gedeelte historische waarde te ontzeggen. Bij de lezing houde men de bovengemaakte opmerkingen vooral in 't oog,, en zonder twijfel doet het, al is dat niet de reden waarom v er hier eene plaats aan moest worden toegekend, ons een eigenaardigen blik slaan op de geschiedenis van den Damar wulan-roman, bepaaldelijk het laatste gedeelte daarvan. Was het mogelijk den ouderdom van deze redactie van de Sërat kanda iets nauwkeuriger te bepalen, dan ons thans gegeven is, waar slechts gesteld kan

1) Ook Lëmbu pëtëng, mede voorkomende als de stamvader der vorstenhuizen van Madura, is een merkwaardige naam, niet minder dan het geheele verhaal van den zwerveling, die na eerst door Kyai Sela verzorgd te zijn, in Tarub komt, en dan huwt met Nawangwulan, een der badende widadarVs.

2) Deze legende berust vermoedelijk op eene woordspel of een eigenaardigde spelling. Kala mufiëng is als naam van een kris geheel begrijpelijk; kalammunëng gespeld, lost men dit weder licht in Kalam mufiëng op.

3) Men herinnere zich hier het pgfandMfc-verhaal in den door den Heer Klinkert in' 1893 uitgegeven Pëlanduk-tekst, n». 7 (bl. 70—80), zie Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII (1894), bl. 382. — Verdere litteratuur over de wespen-episode, ibid. bl. 383, noot 1.

Sluiten