Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rëksapura hulp komen verleenen. Vrouwen en kinderen zendt hij nu onder geleide van Raden Kumara, den zoon van Raden Susuruh (Brawijaya), die evenzeer te Galuh was achtergelaten, naar zijn broeder, die hem die hulp had gezonden, en daarop keert hij zich op nieuw tegen de troepen van Pajajaran, welke onder Ciyung wanara tot Pudak satëgal wangi waren voortgerukt, en te Tügu een nieuwen slag leveren. Dezen woruen nu teruggejaagd. De troepen van Oost-Java verrichten wonderen van dapperheid (angkotbuta) '), en al dringen die van 't Westen toch weer meer oostelijk door, zij worden bij de rivier, die daarom Pamali heet, weer teruggeslagen, terwijl 't vechtterrein den naam van Brëbès krijgt, en Ciyung wanara zich naar zijn land terugtrekt. De troepen onder Rëksapura achterlatende, gaat Arya Bangah nu naar Majapahit, waar Brawijaya hem wëdana (d. i. hoofó-bupat*) maakt, met Tuban als zijne standplaats. (375) Kumara huwt met Arya Bangah's , dochter Citrawati. Daarna wórdt hij op raad van Arya Bangah met diens zoon Dangdang wiring en Wirun's zoon Wahas tegen Pajajaran gezonden. Op aanbeveling van Dangdang wiring trekken zij nu in drie kolonnes, na zich met Rëksapura vereenigd te hebben, het land in. Daar trekt men zich terug op Sumëdang (376). Men gaat naar Galuh. Dangdang wiring onderwerpt Dërmayu, Wahas doet dit Bafiumas, Magëlen, Prabalingga, Caracap. Ook Sokapura wordt vermeesterd. Ondertusschen heeft Kumara Sumëdang en Bandung genomen. Ciyung wanara komt in onderwerping. Eerst stelt hij dipati Jayasudarga, den schoonvader van Brawijaya, in vrijheid. Hem zendt hij tot Kumara met het bericht. (377) Ciyung wanara wordt, zooals de eisch was geweest, naar Majapahit gevoerd. Pajajaran viel in 1223 (guna-kalih-tingal-kaji). Ciyung wanara wordt opver-bupati over West-Java tot aan de Pamali, maar de smeden moet hij naar Majapahit zenden. Kumara's gemalin bevalt daarop van een zoon, Raden Ardiwijaya. Onder hunne hoofden, Pënapi, den zoon van Sombro, en Kënang, dien van Kuwung, trekken de smeden naar Waleri en Këmangi, waar zij nadere bevelen van Brawijaya afwachten, die hen naar Tuban zendt, en ze wapens van allerlei aard laat maken. Këlëp (Kënang ?) wordt naar Madura gezonden, als hoofd over de ooster-smeden, wat Panëti (Pënapi ?) over de westelijke wordt. Inmiddels is Wirun, de patik, gestorven en zijn zoon Wahas in zijn plaats getreden. Ook Arya Bangah overleed en deze werd door Dangdang wiring opgevolgd. Rëksapura, de dipati Këdiri, stierf kinderloos; zijn opvolger was Wahas' zoon, Jayasena, die nog zeer jong was. En daar nu ook Brawijaya sterft, wordt Brakumara in 1229 (muka-kalih-tingal-nata) vorst in zijne plaats.

Diens groot genoegen is jagen. Pangdang wiring krijgt een zoon, Pangdang wëcana; deze wordt in zijne plaats dipati met den naam van zijn vader. Ujung sabata, een Balinees uit Blambangan, was tumënggung en ëmban van den vorst. (378) Deze wilde Wahas, den patih van Brakumara, van kant helpen. Hij

1) Het oud-Jav. kadbhuta. Uit dit woord ontstonden de namen der beide patih's van Menak Jingga, Kotbuta en Angkatbuta.

Sluiten