Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgt zijn vader als regent van Tuban op, wordt wëdana bupati en krijgt den naam Rangga lawe. Dit geschiedde in 1250 (muluk-tata-tingkile-nërpati).

Raden Juru, de jongere broeder van den vorst, is gehuwd met Citrawulan, de dochter van den -.regent van Prabalingga. Nu komen er vijanden van Siyëm, Kamboja en Sokadana.- Zij bevinden zich te Garësik, en worden te vergeefs bestreden. Op raad van Udara roept Brawijaya de tapa's te hulp, de belofte doende hem, die ze verdrijven zal, den rang van dipati te geven en Balambangan te schenken. Een ajar van den Tënggër, Guntur gëni, die vele cantrik's had en in het bezit was van het wësi kuning, een vergiftigen knuppel, neemt het op zich. Hij gaat met 40 leerlingen naar Majapahit. Brawijaya beveelt hem den vijand dadelijk! te verslaan, maar tevens aan Rangga lawe met hem mede te gaan om hem te bespieden. (383) De ajar gaat, gevolgd door Rangga lawe,'naar Garësik. Hij verslaat den vijand, daarbij nog geholpen dbor wespen (tawon ëédas). De vijand vlucht, vele wapens, waaronder twee groote kanonnen, achterlatende. (384) De buit wordt Brawijaya aangeboden, en de ajar met den naam Pamënggër tot dipati - van Balambangan aangesteld. De beide kanonnen krijgen de namen Guntur gëni en Jagur. Nu vraagt Udara zijn ontslag als patih. Hij wil gaan reizen. Als Zijn plaatsvervanger stelt hij voor Kalot (of Legot, de eene maal luidt de naam zus, dan weer zoo) '). Deze wordt benoemd en krijgt den naam Logënder. Voor hij op reis gaat, geeft Udara, die den naam Juragan Kamboja. aanneemt, zijn reeds geboren zoon Damar wulan aan Logënder over. Ook Këncana wungu (de latere prabu kënya) is reeds geboren, en evenzoo had Raden Juru reeds een dochter. Deze laatste trekt zich terug om kluizenaar te .worden op den gunung Éduk, waarheen bij zijn dochter, wier moeder reeds overleden was, medeneemt. Als Këncana wungu nu volwassen is, sterft Brawijaya (Kalamisani). Logënder en Rangga lawe stellen de prinses tot koningin aan, 1267 (wiku-rëtu-tingal~wani).

Daarover is Pamënggër, na zijn terugkeer van de huldiging, verdrietig. Eg' verlangt naar een zoon. Een rooden hond herschept hij in een mensch, dien hij Menak Jingga noemt. Hij baadt hem met water, dat hij over het wësi kuning heeft laten loopen, om hem sterk te maken, maar zijn voorhoofd was dat van een hond gebleven, en hij had geen schouders. Het wësi kuning zou zijn dood zijn, en daarom geeft hij het hem zelf ter bewaring. Menak Jingga rooft zich twee vrouwen, Waita uit Balega en Puyëngan uit Bangkalan. Daarmede niet tevreden wil hij de vorstin van Majapahit ten huwelijk vragen. Pamënggër raadt hem dat sterk af, en als Menak Jingga niet naar hem luistert, verlaat deze Balambangan om naar den gunung Agung te gaan. (385) Nu wordt Menak Jingga koning van dat gewest. Twee der cantriks van Pamënggër stelt hij onder den naam Kotbuta en Angkatbuta tot patih aan1, en zijn huwelijksaanzoek zendt hij af. Lawe ijo komt met een antwoord van Rangga lawe terug. De uitdagende weigering, die dit

1) Zie Zang 381.

Sluiten