Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

praten, en roept Dayun om te onderzoeken wat er aan de hand is. Sëbdapalon gooit deze eenige malen de deur uit, en Damar wulan neemt de beide prinsessen op om met hen weg te loopen, Menak Jingga tartende hem te volgen. Deze bespeurt, dat het wësi kuning weg is. Den volgenden dag trekt Damar wulan daarmede ter strijde, en slaat hij de Balambanganers op de vlucht. Menak Koncar doodt Kotbuta en Angkatbuta! met een ring, die ook van wësi kuning was, en dien hij van Pujadewa, een tapa op den gunung Liman, had ontvangen, en Damar wulan velt Menak Jingga. Zijn hoofd wordt afgeslagen en door Sëbdapalon weggedragen. (391) Met grooten buit keert men terug.

Als Damar wulan bij de vorstin komt, staat deze hem niet toe haar hulde te brengen, zij -verheft hem tot koning, en laat tevens Anjasmara ontbieden, wie zij bericht wat zij gedaan heeft, haar zeggende, dat zij haar geluk met haar moet deden. Damar wulan werd onder den naam Mërtawijaya koning in 1270 (nirgurnita-se'mbahira-prabupati).

Layang Setra kumitir wordt zijn patih, Sëbdapalon maakt hij tumënggung en Nayagenggong rangga. Hunne namen worden verandérd in dipati Gajah mada, tumënggung Sëbdayuda en rangga Sëbdagënggong. Buntar watangan wordt» Arya Teja van Tuban; Menak Koncar wordt over Lumajang gesteld en huwt met Rëtna Sëkati. Logënder laat zijn post over aan zijn zoon. (392) Nu was Udara (op zijn zwerftocht) in Kamboja gehuwd met eene dochter van den vorst van dat rijk. Hij had bij haar een zoon verwekt en deze was zijn grootvader, na diens- dood, onder den naam Andaka sasi, als vorst van Kamboja, opgevolgd. In het geheel had Udara (393) aan den overyal drie zonen; genoemden Mahesa sasi in Kamboja, Kuda rangeyan in Banjar, waar deze zijn grootvader evenzoo opgevolgd was, en Kuda tilarsa in Sukadana, die ook koning was geworden. Zij waren allen op één oogenblik in Kamboja bijeen. Udara beveelt hun naar Majapahit te gaan. Damar wulan is zeer verheugd zijnen vader en zijne broeders te zien. Na hun aankomst bevalt Këncana wungu van Raden mas Alit. Zijn grootvader voorspelt zijne toekomstige grootheid, en zegt dat hij later Angkawijaya moet heeten, en dat hij de laatste der heidensche vorsten wezen zal (amëkasi ratu buda). Ook Anjasmara bevalt, van* Raden mas Kaon. Na zeven maanden te Majapahit te hebben vertoefd, gaan Këlana Mahesa sasi en zijne broeders huiswaarts. Udara en Logënder komen te overigden, Raden mas Alit wordt Prabu Angkawijaya en de tweede zoon, Bëtara Katong, komt over Panaraga.

Als deze gebeurtenissen doorleefd zijn, bespeurt Brawijaya (Damar wulan), dat er een këris van Jaka Suruh (den len vorst van Majapahit) is zoek geraakt, de kris Sumëlang Gandring, van de dapur jalak. Hij draagt den patih Gajah mada (= Setra kumitir) op haar op te sporen. Deze wil het verdwijnen van die këris niet ruchtbaar laten worden, (394) omdat dit voor 's vorsten naam niet goed zijn zou. Hij,ontbiedt de lurah's der ëmpu's (smeden).

Wie dit waren, blijkt uit het volgende. In Pajajaran had men vroeger

Sluiten