Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jenalkabir, de zoon van zijn oom, den vorst van Cëmpa, sluit zich bij hem aan, begeerig als hij is naar de ngelmi. Zij landen te Jëpara. Jenalkabir gaat naar Grage om eerst een woonplaats te zoeken. Hij vindt daar dipati Talorëmi, die zich bekeert en hem zijn dochter schenkt, met wie hij te Jëpara, aan de Rëngarëngan, gaat wonen; Sayit Rahmat was ondertusschen naar Kudus, dat toen nog Tajnk heette, gegaan. Daar blijyende, omdat Sayit Seh, zijn zoon, ziek was, huwt hij ook met een vrouw van daar, Nyai Lara ngunyun, de dochter van Puraga (ef Naraga), die eigentlijk van Majapahit was. Als Sayit Seh weer hersteld is, laat hij haar zwanger achter, met de opdracht om 't kind, zoo hem een zoon geboren worden mocht, Raden Undung te noemen. Te Majapahit laat hij zich door Sastra(wi)jaya bij Darawati brengen. Bij Brawijaya geïntroduceerd, schenkt deze hem Ampel en de dochter van tumënggung Wilatikta van Tuban, de kleindochter van Arya Teja. Daar vestigt hij zich in 1308 (asta-ilang-gunane-aji). (398) Ni Rasëksi is intusschen van Jaka Dilah bevallen. Deze wil weten wie zijn vader is. Zijn moeder en zijn oom zijn onwillig hem in te lichten. Zij krijgen hunne menschelijke gedaante weer terug, als hij verwoed hen bewusteloos heeft geslagen. Nu verneemt hij wat hij weten wil, en dan gaat hij naar Majapahit. Hij begeeft zich tot Gajah mada en deelt dezen mede wat hij weet De. patih brengt den van Tayu gekomen jongeman tot den vorst, die belooft hem als zijn zoon te zullen erkennen en hem Pulo Palembang te zullen geven, als hij de dieren uit 't woud op de alun-alun zal hebben gebracht. . Hij doet het, krijgt Palembang, (399) en den naam Arya Damar '). Om de droefheid van Darawati te stillen, geeft de vorst hem zijne vrouw uit China, die zwanger is, mede, hem tevens opdragende, Pëkik te Bantën en Jakarta te Jakarta te plaatsen als jaga tampingan. Spoedig daarop wordt ook Darawati zwanger. Wandan en Inggris doen een inval met 12 schepen, omdat men hun geen plaats had willen geven om handel te drijven 2). Zij landen te Gërsik. Menak Koficar van Lumajang, Sapujagat van .Prabalingga, tumënggung Wilatikta van Tuban worden hun tegemoet gezonden. Ook Menak pëdali pëtak vecht daarbij dapper mede. De vijand wordt verjaagd en een groot kanon vermeesterd. Dit laatste krijgt den naam van den dipati van Prabalingga, Sapu jagat, wiens buit het was, terwijl hij zelf voortaan Sapu laga heeten zal. De islam breidt zich te Ampel uit. Sayit Iskak, een oom van Rahmat, die aangewezen was om Garage3) te bekeeren, brengt hem een bezoek; evenzoo Maulana Mahribi, of Sayit Ibrahim, die naar Garage gaan moest. Sayit Ali (Sunan Gësang) 4), bestemd voor Pamalang, en Sayit Seh Akbar, bestemd voor Tuban, doen dat al evenzeer. Brawijaya vindt allés goed. Als nu Sayit Iskak in Blam-

1) Reeds te voren wordt hij Damar genoemd.

2) Op deze plaats verdient de aandacht in het bijzonder gevestigd te worden.

3) Blambangan bedoeld (?) — Rouffaer teekent aan, dat G(a)rage ten rechte Cërbon is. Verg. Van der Tuuk Wdb. IV bl.693a. Nog zelfs, door Crawfurd (die resident van Cheribon was geweest) wordt het tweemaal gekaarteerd als „Chirbun or Grge", achter dl. III van zijn History of the "Indian Archipelago (1820).

4) Gösan (?).

Sluiten