Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te gaan. pëdaii putih wordt onthoofd. Daarna trekt Jaka Sëngara naar Bali; ook dat onderwerpt hij, en ook dat hoofd wordt hij machtig. Met Sapu laga gaat hij nu op een met buit beladen vlot, dat door baya1» geleid wordt, naar Majapahit terug. (403) Hij huwt en wordt dipati Dayaningrat van Pëngging. Sunan Ampel zendt Ki Bonang om zijn paman te bekeeren, en Patah beveelt hij om ergens in 't Westen, waar hij galaga wangi vinden zal, een dukuh te stichten,- hem ook zijn latere grootheid en verdienste omtrent het geloof voorspellende. Darawati sterft 1320 (sirna-kalih-gunane-nërpati) '). Zij wordt Mohammedaansch begraven, hoewel de vorst haar eerst op de oude (heidensche) wijze had willen bijzetten. Haar graf krijgt den naam Citrawulan. De vorst, die erg bedroefd is, heeft ook bij een Balische vrouw kinderen, Raden Kalungkung en Raden Katóng. Lëmbu pëtëng wordt over Madura gesteld, Raden Gugur (boven: Guntur)J) over Madiyun, Raden Kalungkung over Bali, en Raden Katong over Pranaraga, in de plaats van zijn schoonvader, Batara Nata (d. i. Katong), den jongeren broeder van Brawijaya. Raden Patah sticht Dëmak; velen vestigen zich daar. Brawijaya verneemt van Gajah mada, dat daar een Jcraman zou zijn. De adipati van' Tërung wordt er heen gezonden, om Patah te ontbieden, omtrent wiens afkomst hij Brawijaya inlicht. Daarop wordt Patah met Dëmak begiftigd, dat den naam Bintara krijgt. In 1326 (rasa-kaüh-kang guna-putra) werd Dëmak gesticht, .in 1327 (sëbdakalih-tulusnya-kang sim) had de benoeming plaats. Op bevel van Sunan Ampel zal hij de groote moskee bouwen, en huwt hij met de dochter van Sunan Giri, Rëtna Mulya. Brawijaya > wil een pusaka kris laten maken. Dipati Supa wordt van Sëdayu ontboden. Hij krijgt die opdracht, maar weet niet hoe die uit te voeren, daarom sluit hij zich op. Nu komt zijn zoon Kyai Sura uit Blambangan met een calon duwung te Majapahit. Hij begeeft zich tot Kyai Jikja, die in Supa's plaats gekomen was. Hij maakt zich bekend en zijn broeder 3) (404) zendt hem naar Sëdayu. Onderweg maakt hij zonder vuur, tot verwondering van zijn bediende, Salahita, overal krissen. Een zekere Jëbat, de zoon van Modin, de schoonzooh van Supa, informeert naar hem, en ontvangt hem evenzeer goed, en nu hoorende wat Supa werd opgedragen, maakt Sura in de smidse van zijn vader een mooie 'kris, waarvoor hij evenwel geen naam weet te bedenken. Deze kris vindt Supa. Hij is verrukt, en brengt Sura straks tot Brawijaya, die deze kris Sëngkëlat noemt en haar bestemt voor hem, die mutër nëgari jam. Sura wordt tot tumënggung Sura curiga verheven; ook met Jigja, nu Jigjasura, geschiedt dat, doch zij mogen voor niemand dan den vorst meer werken. Sunan Bonang gaat nu

1) Op haar graf te Trawulan vindt men in werkelijkheid het jaartal. 1370, zie Not. B. G. XXIV (1886), bl. 42; afbeeldingen van dit jaartal vindt men in Journ. Ind. Archipelago, Vol. V, 1851, bl. 439, en in Holle's Tabel van oud- en nieuw-Indische alphahetten, 1882, bl. 48. De mislezing of .verkeerde interpretatie van dit jaartal is dus reeds vrij oud en een constante. — Verdere litteratuur Rapp. Oudh. Dienst 1915, bl. 185—187.

2) Zie Zang 401.

3) Zie Zang 394.

Sluiten