Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog achter een grooten hoop steenen, doch Sunan Bonang weet hem toch te vinden. De bekeering volgt. (411) Als de moskee te Cërbon voorbereid (limasan) is, gaan de wali's er heen. Het wordt er een met negen deuren en negen pangimanan'e, •en zij komt in 13.2 (mungaUtnangil-murub-bumya) gereed. Opnieuw trekt men dan tegen Majapahit te) velde, doch nu gaat van de Sunan's slechts Sunan Undung zelf, daar de anderen/hunne zonen zenden, nl. Raden Makripat (van Giri), Madi pandan (van Bonang, eig.- de zoon van Sabrang wetan, d. i. Surya, dus de kleinzoon van den dipati van Bintara), Makdum Sarap (Drajat), Japar sidik (Lëmah bang), Seh Maolana Gatana (Mëjagung), Sunan Panggung (Sunan Ibrahim), Abdutlah rakim (Sunan Mahribi), Sunan Adiganda (Kali Jaga). Brawijaya zendt Pancatanda (van Tërung), Dayaningrat en Gajah mada. (412) De strijd blijft onbeslist. Raden Këbo kënanga, de zoon van Dayaningrat, loopt, uit vrees voor zijn leermeester, Seh Lëmah bang, over, doch zijn broeder Këbo kanigara blijft trouw. Het sneuvelen van Dayaningrat doet de wong buda (de aanhangers van 't oude geloof) vluchten. Sunan Kudus wordt door Pancatanda van Tërung verslagen. Met den avond legert men zich te Wirasaba, waar de patih een pasanggrahan had laten maken, maar wordt achtervolgd door den vijand. .Brawijaya zendt versterking onder den dipati Kalungkung, maar de reeds bekeerde zonen van den vorst trekken zich naar hunne rijken terug. Ook de dipati van Bintara is om hulp naar Dëmak gegaan. Iman wordt in zijns vaders plaats legerhoofd, en Sunan Giri geeft zijn kris voor Makripat, deze zal wespen voortbrengen, die den vijand zullen verjagen, en Sunan Cërbon geeft een badong, die men op het slagveld openen moet om er regen, wind, en de muizen (durbiksa) uit te latën, die er in zitten. Iman, thans Sunan Kudus, (413) vertrekt met 1000 man; aan de wong buda schijnen het er 100.000-en toe. De muizen eten den voorraad op en vernielen alle harnachementen, de wespen zijn niet te keeren, en de stormwinden en de regenvlagen verrichten nog het hunne. Alles dringt tot Majapahit door, maar de pondok van den adipati van Tërung heeft niets te verduren, daar deze këramat was, omdat hij het ware geloof reeds omhelsd had. Brawijaya vlucht met zijn kroost (lees: zijn vrouwen?) en zijn patih naar Sëngguruh. Sunan Kudus dringt Majapahit binnen. De dipati van Tërung onderwerpt zich. De kris Sëngkëlat brengt Sunan Kudus zelf naar Dëmak. Madi pandan moet zich pp bevel van Sunan Bonang te Tirang ampel vestigen. Pulo Tirang heet dientengevolge, sinds 1398 (awak-tërus-cahya-jati), Pandan nara (of Pandan arang). (414) Brawijaya trok zich in 1399 (muka-tërus-lena-nata) naar Sëngguruh terug. Adipati Bintara wordt Panëmbahan Jimbun. Dipati Tërung's dochter huwt met Sunan Kudus, en haar vader geeft dezen de bënde Macan tëtunggul jurit. De paseban pajëksan van Majapahit wordt naar Dëmak overgebracht. Këbo kënanga volgt zijn vader over Pëngging op. Des pariembaharis zonen worden pangeran, Raden Surya wordt Pangeran Sabrang, Kanduruwan wordt Pangeran Panggung (te Randu sanga), Raden Trënggana Pangeran Trënggana, en dan zijn er nog Pangeran Saba Kingkis (lees Saba Kingkin) en Pangeran Sampang,' zijn

Sluiten