Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoonzoons. Lëmbu pëtëng'), te Tarub, is ontsticht dat ook hij geen hoogen titel kreeg. Zelf verschijnt hij niet meer op audiëntie, maar zendt zijn zoon Grëtas pëndawa. De nieuwe panembahan overlegt, ook met zijn patih Wanawala, hoe met Brawijaya te doen. Hij beveelt Lëmbu pëtëng en Jaran Panolih naar Sëngguruh te gaan om nóg eens te trachten den vorst over te halen zich te bekeeren; de eerste is niet aanwezig. Gëtas pëndawa wordt lurah tamtama. Men trekt naar Sëngguruh. Brawijaya wordt voor de laatste maal uitgenoodigd Mohammedaan te worden. Hij blijft 't geloof zijner vaderen trouw. Als Kalungkung het geveoht verliezen zal, zal hij naar Bali vluchten. (415) De laatste strijd wordt gestreden. Terwijl deze nog niet geëindigd is, gaat Brawijaya naar Bali, waarheen Kalungkung en Gajah mada hem strak volgen. Sëngguruh wordt geheel vernield, maar Bali kan, erkent de panembahan, door hem: niet tot den islam worden gebracht. Sëngguruh viel in 4400 (sirna-ilang-kertining-bumï); de lezer, — zegt de schrijver, — houde het verschil tusschen den val van Majapahit en dien van dit laatste wel in 't oog (ingkang amaca, ing sërat dipun-kalir „bëdahira ing negara majalëngka, latoah sëguruh iki, ayun bedak-ëna). Als de panembahan weer te Dëmak is teruggekeerd, wordt overal de Vrijdagsdienst geregeld. Tot zoover de Sërat kanda 2).

In een tabelvorm gebracht in den trant van hetgeen uit Raffles overgenomen werd, en tevens vermeldende wie de patih's waren, leveren- deze belde teksten al weder iets anders, dan men daar aantrof, doch daarin verdiepé men zich niet verder.

Babad tanah Djawi. Brawijaya, patih Wahan (= Wiro).

Prabu anom, patih Wahan (diens zoon heet hier Udara).

Adaningkung.

Hayam, wuruk.

Lëmbu Amisani, patih Dëmung wular. Raden Alit, patih Gajah mada.

Sërat katida. 1221. Brawijaya, patih Wirun.

1229. Bra kumara, patih Wahas (zoon van Wirun), dan Ujung sabata. 1-234. Ardiwijaya, patih Jayasena (de zoon van Wahas, de dipati v. Këdiri), dan Udara (een zoon v. Ardiwijaya).

1) Bondan kajawan moet hier zijn bedoeld, vgl. Zang 402, waar door den schrijver heeft vergeten te vermelden, dat hij dezen'naam kreeg, vergl. slechts Babad tanah Djawi, ed. Meinsma, bl. 42.

2) Ook elders is dit géschrift, althans in deze redactie, zakelijk zeer belangrijk, zoo bijv. ook de gedeelten, die handelen over Panji, Pajajaran, en Aji Saka.

Sluiten