Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdens Rajasanagara (Hayam wuruk),

28, 31; 29, 7. Mahisa, zie ook Këbo. Mahisa campaka, zie Narasingha. Mahisa randi, zoon yan Këbo hijo, 12, 30

en 31; 14, 2. Mahisa rubub, een der beste strijders van

Daha onder Jaya k&tongj 22, 30 ; 23, 1,

33 en 85.

Mahisa walungan, jongere broeder van Pangdang gëndis, 14, 20.

Mahisa wong atëlëng, zoon Tan Ken Angrok (Rajasa) en Ken pëdës, 13, 4; vader van Mahisa campaka (Narasingha), 16, 18.

Mahisa bungalan, tijdgenoot van Wisnuwardhana, 18, 11.

Mahapati, patih amangkubhümi van Majapahit, tijdens Jayanagara, tot 1241 Caka, 25, 11—26, 15.

Menak, vermoedelijk de Sundaneesche adelstitel, 29, 1 en volgg.

Mundarang, zie Këbo —. j

Mantrolot (Aji —), ratu ing Malayu, ook Tuhan Janaka en Cri Marmadewa, 24,4Q; zoon van Dara Jingga, een prinses uit Malayu, 24, 29; tijdens Kërtarajasa (Raden Wijaya).

Mandala, zie Amandala.

Macan kuping, buyut ing Pandakan, verleent Raden Wijaya (Kërtarajasa) hulp, als hij vluoht, 20, 82 en volgg.

Mara = Samara.

Marajaya (Pafiji —), volger van Rangga lawe, als deze opstaat, 25, 8.

Marmadewa (Cri —), zie • Mantrolot.

Marga lëwih (patih —), krijger van Majapahit, tijdens Rajasanagara (Hayam wuruk), 29, 11.

Mada, zie Gajah —.

Made (ra —), volger van Nambi, als

deze opstaat, 26, 4. Matahun I (Bhre —), ook Raden Larang,

gemaal van Bhre Lasëm I, 27, 24; t 1331, 30, 21.

Matahun II (Bhre —), dochter van Bhre Wirabhümi, 30, 11; huwt met Bhre Wëngkër II, 30, 12; f 1338, SI, 21.

[Mataram I (Bhre —) = Hyang Wicesa.]

Mataram II (Bhre —), dochter van Bhre Wirabhümi, 30, 10; gehuwd met Bhra Hyang Wicesa, 30, 10; f 1338, 31, 21.

Mataram III (Bhre —), spruit van Rajasawardhana, 32, 23.,

Malandang, zie Karuman.

Malayu (ratu ing —), zie Mantrolot.

Mëlong (Pafiji —), Sundanees, tijdens Rajasanagara (Hayam wuruk), 29, 3.

Mpu, zie Tapawangkëng, Pürwa, Palot, Janecwara, Gandring.

Madu (patih —), door Rajasanagara (Hayam wuruk) naar Sunda gezonden,

28, 30.

Minge, zie Gagak —.

Manguri, zie Gajah —.

Gënuk buntu, vrouw van Bango samparan, pleegmoeder van Ken Angrok (Rajasa), 3, 24 en 27.

Gandring (Mpu —), wapensmid te Lulumbang, 11, 12 en volgg., 13, 34; tijdgenoot van Ken Angrok (Rajasa) en door deze gedood; zijn krissen algemeen bekend; die welke hij voor Ken Angrok (Rajasa) maakt, speelt in de Pararaton een gewichtige rol.

Gëndis, zie Dangdang —.

Gundal (Bhra —), onzekere persoon, tijdens Bhre Kahuripan II (prabhu istri I), 27, 26.

Guru (Hyang —), noemt Ken Angrok (Rajasa) zijn zoon, 8, 20; 13, 17 en 25.

Guru (Bhatara —), zie Rajasa.

Gowi. (patih —), krijger van Majapahit, tijdens Rajasanagara (Hayam wuruk),

29, 11.

Gëlëmpo, var. van Gëmpong.

Sluiten