Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvoedings-object ziet, haar eigen beteekenis voor de geestelijke en moreele opvoeding onzer opgroeiende geslachten ontkent. Dit moge men bij de keuze van een stelsel van lichamelijke opvoeding wel bedenken. Want de lichamelijke opvoeding is juist daardoor van zoo groote waarde voor de ontwikkeling van geest en karakter, omdat zij het opvoedingsmiddel is van de daad, van de handeling. Voor dit deel der opvoeding is de school, en ook het gezin, vrijwel uitsluitend aangewezen op het woord, op het voorbeeld of de aanschouwing, en op de correctie. Maar de lichamelijke opvoeding is het opvoedingsmiddel bij uitnemendheid van de zelfwerkzaamheid, in den voor de jeugd meest aantrekkelijken vorm. Mits men althans, door onjuiste keuze der oefenmiddelen, aan de jeugd niet den lust tot zelfwerkzaamheid ontneme. Ook hierop heeft men bij de keuze van een systeem te letten.

Een der belangrijkste grondbeginselen van een rationeel systeem zal tenslotte wel dit zijn, dat de lichamelijke opvoeding de leidende beïnvloeding van den voor zijn taak berekenden opvoeder niet onberen kan. De lichaamsoefeningen toch zijn geen middelen die uit eigen kracht uitsluitend gunstige resultaten kunnen afwerpen. Laat men na, de oefeningen en spelen te stellen onder de leiding van onbetwist bekwame opvoeders, dan kan hun invloed op de lichamelijke en geestelijke vorming der jeugd slechts onzeker en wisselvallig zijn, zelfs negatief worden, en men zal de gevaren niet kunnen voorkomen, dat de lichaamskrachten worden verwaarloosd of verkwist, inplaats van te worden ontwikkeld; dat de twijfelachtige karakterneigingen de goede zullen verstikken; dat de zelfcritiek het zwijgen zal worden opgelegd door den eigenwaan.

De taak van den opvoeder, die belast is met de leiding der lichaamsoefeningen is dan ook inderdaad gewichtig en veelomvattend. Van hem toch hangt het in beslissende mate af, of de opvoedende kracht die van de lichamelijke oefening uit kan gaan, in gunstige resultaten zal worden omgezet. Zij hebben dus ongelijk, die de taak van dezen opvoeder als eene minderwaardige, als eene van minder beteekenis, van minder sociale draagwijdte willen voorstellen en doen waardeeren.

Sluiten