Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze moederlijke uitrusting van mijn geest met dien eigendom van hoofdstukken tot het meest kostbare, en over 't geheel het eenige wezenlijke gedeelte, van heel mijn opvoeding.

Want de hoofdstukken werden inderdaad strikt beslissend efl beschermend voor mij in alle wijzen van denken; en wat zij goddelijks bevatten, aannemelijk door alle vrees en twijfel heen: noch heb ik ooit, in eenige vrees of twijfel of schuld, mijn getrouwheid jegens hen verloren, noch verzaakt het eerste gebod in het hoofdstuk dat ik het vaakst moest opzeggen: „Dat de Goedertierenheid en de Trouwe u niet verlaten".

En nu op een leeftijd van vijf-en-vijftig, ten spijt van enkele verruimende waarnemingen van wat moderne filosofen noemen „de Heerschappij der Natuurwet", bemerk ik duidelijker dan ooit de Heerschappij van een Geest van Goedertierenheid en Trouw, — eindeloos in vergiffenis en loutering voor zijn dwalende en geloovige kinderen, die nog Liefde in hunne harten hebben; en gansch en al vijandig en onverzoenlijk jegens zijn slechte en liegende vijanden, die resoluten haat in hunne harten hebben, £n resolute leugen op hunne lippen.

Deze verklaring van het bestaan van een Geest van Goedertierenheid en Trouw, als heerscher eerst over de Wet van het Leven, en dan over de methoden van kennis en arbeid waardoor zij onderhouden wordt, en die de „Saturday Review" noemt „de verwijfde sentimentaliteit van Mr. Ruskin's staathuishoudkunde", — deze verklaring is, naar gij zult bemerken, precies het tegengestelde van de verklaring in een verhandeling, voorgelezen door den Secretaris op de „Social Science" Meeting te Glasgow in 1860, namelijk, dat het de Roofzuchtige en Carnivore of — in platter Nederlandsch — vleesch-etende geest van den

Sluiten