Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt de filosofische dagbladschrijver zich gemakkelijk af van de verdediging zijner eigen inzichten (zooals men kan zien uit den laatsten zin van de noot). Ik zal de verklaring trachten te geven van wat misschien zelfs voor hemzelven niet heelemaal duidelijk was- in zijn denkbeelden. Als een '-inbreker ooit des Redacteurs mand met tafelzilver wegneemt, zal de beroofde Redacteur zich troosten met de overdenking dat „het niet waar is dat wat de één zich toeeigent, dientengevolge nutteloos wordt voor anderen": — want inderdaad (zoo zal hij voortgaan tot scherper onderzoek) dit zilver van mij, omgesmolten, zal, na in anderen vorm dienstig te zijn geweest voor den inbreker, opnieuw ' terugkeeren tot dezelfde functies onder het zilver van de wereld, die het had, toen het in mijn bezit was; zoodat de tusschenhandswinst van den inbreker kan, beschouwd worden als geheel en al een vorm van handelswinst. En „het is ook onwaar dat geweld of bedrog, direct of indirect, de voornaamste of zelfs ook maar eenigszins gewone of belangrijke wijzen zijn om rijkdom te verwerven" — want deze arme dief met zijn breekijzers brengt mij slechts voor één dag in ongelegenheid, zoolang ik met mijn vloeiende pen telkens maar weer mijn tafelzilver kan aanvullen door de schoone uiting mijner opinies ten bate van het algemeen welzijn. Maar welk soort van bedrog of macht er gelegen kan zijn in het leven van den verkoop zijner opinies in plaats van den verkoop zijner kennis, en welk een hoeveelheid ware kennis, over welk onderwerp ook, — ethisch, staatkundig, wetenschappelijk, of aesthetisch — op 't oogenblik den geheelen handelsvoorraad uitmaakt van de Redacteurs der Europeesche Pers, dat heeft onze Redacteur zeer zeker niet overwogen.

Sluiten