Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alle deze drie gezegden, en de overtuigingen die ze uitdrukken, zijn slechts wijs in den mond en in den geest van wijze mannen; zij zijn doodelijk — en te doodelijker omdat zij het beeld en het opschrift dragen van deugd — in den mond en in den geest van dwazen.

„Maar er is toch zeer zeker een trapsgewijze overgang van wijsheid tot dwaasheid?''

Neen. De dwaas, wat ook zijn vernuft zij, is de mensch die zijnen Meester niet kent, — die in zijn hart gezegd heeft, — daar is geen God — geen Wet.

De wijze mensch kent zijn Meester. Al naar hij meer of minder wijs is, onderscheidt hij hoogere of lagere meesters; maar altijd een wezen grooter dan hijzelf, — een wet heiliger dan zijn eigen. Een wet die gezocht moet worden, — geleerd, geliefd, — gehoorzaamd; maar ten einde haar te ontdekken, moet de gehoorzaamheid éérst begonnen worden, naar ons beste weten. Gehoorzaamt iets, en gij zult eens kans hebben uit te vinden wat het beste is om te gehoorzamen. Maar als gij begint met niets te gehoorzamen, zult gij eindigen met Beëlzebub en al zijn zeven genoodigde vrienden te gehoorzamen.

Dit vooropgesteld hebbend, waag ik het de geschiedenis van mijn eigen vroegtijdige onderwerpingen aan de uitwendige Macht te vervolgen.

Hét Bijbellezen, in mijn vorigen brief, beschreven, had altoos plaats in de voorkamer van het huis te Herne Hill, dat mijn vader, toen ik vijf jaar oud was, in staat was te koopen. Het eind weg tusschen de Fox-herberg en het station van Herne Hill is tot op heden in hoofdzaak onveranderd gebleven en heeft zijn karakter behouden; zekere Gothische versierselen, die onze rijkere buren zich in den laatsten tijd veroorloofd hebben,

Sluiten