Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selingen tot aan mijn zevende jaar, reeds onherroepelijk voor mij bestemd waren.

Ik zal eerst de zegeningen opnoemen (gelijk een niet onverstandige vriend mij eens aanried voortdurend te doen, terwijl ik de slechte gewoonte heb van altijd de doornen in mijn vingers te tellen en niet de beenderen).

En het beste en waarachtigste begin van zégening was, dat mij geleerd werd de volkomene beteekenis van Vrede, in gedachte, handeling en woord.

Nooit had ik de stem van vader of moeder zich hooren verheffen in de een of andere kwestie, die zij onder elkander hadden, noch ooit een boozen, of lichtelijk gekwetsten of beleedigden blik geziert in hun oogen. Nooit had ik een dienstbode hooren uitschelden, i noch zelfs op een onverwachte, driftige of gestrenge manier hooren berispen. Nooit had ik een oogenblik onrust of wanorde gezien in eenige huishoudelijke aangelegenheid; noch ooit iets in overgroote haast zien doen, of op zijn tijd te niet doen. Ik had niet 't niinste begrip van een gevoel van angst. Ik had nooit iets verkeerds gedaan dat ik wist — behalve dat ik zoo nu en dan het van buiten leeren van de een of andere hartverheffende spreuk uitstelde om een wesp op de vensterruit te kunnen bespieden, of een vogel in een kerseboom; en ik had nooit eenig verdriet gezien.

Naast deze gansch onschatbare gaaf van Vrede, had ik ontvangen het volkomen begrip van het karakter van Gehoorzaamheid en Geloof. Ik gehoorzaamde een woord of opgeheven vinger van vader of moeder, eenvoudig als een schip zijn roer; niet alleen zonder eenige gedachte aan verzet, maar de leiding aannemend als een deel van mijn eigen leven en kracht, en als een heilzame wet, even

Sluiten