Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodzaakt in te stappen in een coupé met twee lijkachtige, zestigjarige oude vrouwspersonen, die de raampjes tot op een kiertje na dicht gehouden hadden uit vrees dat een druppel regen of een tochtje van den Zuidenwind binnen zou komen, en het heerlijkste samenstel van producten van haar eigen indigestie zaten te ademen. Voorwendend nieuwsgierig te zijn naar de constructie van den trein, deed ik het achterste raampje open en stak mijn lichaam er een eind uit en bleef met mijn hoofd, zonder hoed op, buiten 't portier om zoo mogelijk op mijn mede-reizigsters den indruk te maken dat het gevaar van een botsing dreigde, die alleen voorkomen kon worden door een uiterste waakzaamheid van mijn kant. En daarna haar verzoekend, met al de beleefdheid die ik kon verzamelen, om een koffer te mogen verzetten, dien ze op de hoekplaats gezet hadden — „opdat ik met mijn gezicht in den wind zou kunnen zitten" — intimideerde ik ze om te vragen of het raampje weer dicht mocht; maar zij kropen in den versten hoek om mij te kennen te geven welk een last ze van den tocht hadden. Weldra haalden ze twee zakken met blauwe druiven te voorschijn en aten samen voor 't vaderland weg, zich van mijn open raam bedienend om opgerolde stukjes papier met pitten en velletjes er uit te gooien.

Een algemeen overstappen moest tot mijn en tot haar uiterste verlichting opnieuw plaats hebben te Ruabon, gevolgd door een drie kwartier lang rangeeren voor- en achterwaarts met rijtuigen, waarin men iedere vijf minuten dacht in te stappen, en die weer weggestoomd en geduwd werden, op 't oogenblik dat men juist een portier opende, met een luid geroep van „achteruit daar". Een troepje van een stuk of zes kinderen van acht tot veertien jaar — de meisjes allen met strooien hoe-

Sluiten