Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leenen zal wat inderdaad zijn eigen is; noch zijn God, noch zijn geweten, noch zijn ziel, noch zijn lichaam of dat zijner vrouw, noch zijn land, noch zijn huis, noch zijn werktuigen; maar dat hij verplicht is, de goederen die niet „zijn eigen" zijn, maar waarvoor hij te zorgen heeft en waarover hij toezicht heeft (als meer land dan hij kan beploegen of meer boeken dan hij kan lezen), uit te leenen of weg te geven waar hij ziet dat ze voor anderen dienstig kunnen zijn; en dat hij er geen winst voor zichzelf uit mag halen.

Elk aardsch goed en bezit zal u gegeven worden, als gij éérst zoekt het Koninkrijk Gods en Zijn Gerechtigheid. Indien gij, in de verzekerdheid des Geloofs, er om kunt vragen en er naar streven, dat dit Koninkrijk met u moge zijn, ofschoon het niet is spijs en drank, maar Rechtvaardigheid, Vrede en Blijdschap door den Heiligen Geest, — indien gij goed werk wilt doen J) hetzij gij leeft of sterft, en zoo des nachts ternederliggen, hetzij hongerig of vermoeid, ten minste in vrede des harten en in veiligheid van eer, — dan zult gij u kunnen verblijden in al de volheid van aardsch bezit;

— dan zal voor u de aarde haar gewas geven en voor u zullen de rivieren met de handen klappen;

— op uw heiligen pelgrimstocht, vreemdelingen hier en reizigers met God, zal toch Zijn Woord met u zijn, — „het land zal niet voor altoos verkocht worden, want het land is Mijn", en na uw getelde dagen van blije getrouwheid zult gij heengaan om u te verblijden in Zijn Vaderland en met Zijn Volk.-

l) Vergelijkt XLVI, 36 en v.v. en merkt vooral op den zin uit 4 Ezra: „en eer zij opgeteekend waren die het Geloof tot een Schat vergaderd hebben".

Sluiten