Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar wij hebben dat leven gedeeld, enkelen van ons, — en kennen het, en zijn, door ons geduld...."

Er boven uit gekomen. Ik ben grof, maar ik weet wat gij zeggen wildet. Arbeidt de Dokter — de Kunstenaar — de Soldaat — de vrome Priester dan enkel voor ontkoming aan zijn beroep ? Is niet die fabrieksarbeid, vergeleken bij al dezen, een verachte en een ellendige — door de erkenning van al onze pogingen en verkondiging van al onzen trots, en wilt gij nog langer voortgaan, als het zijn mag, met Engeland van zee tot zee te vullen met schepselen van dit ongelukkige geslacht waaruit gij verrezen zijt?

„Maar wij kunnen niet allen doctoren, kunstenaars of soldaten zijn. Hoe moeten we dan leven?"

Zeer stellig niet in massale ellende. Meent gij dat de Maker der wereld bedoelde dat allen, behalve één op de duizend van zijn schepselen, in deze donkere straten zouden leven, en die ééne, zegevierend over de rest, alleen in de groene velden zou uitgaan?

Dit was wat ik overdacht, en meer dan ooit overdacht gedurende den ganschen tijd dat mijn gastheer mij reed voorbij Shenstone's huis, de Leasowes, tot in het dal van de Severn, en mij vertelde hoe gelukkig het stuk St. George grond gelegen was, ver weg van het leven van ons tegenwoordig Engeland en zijn — voorgewende — heerlijkheid. Toen we den heuvel wat verder afreden naar Bewdley, vroeg mijn gastheer mij of ik het „spijkermaken" eens wilde zien. „Ja, stellig". Hij bracht mij toen in een kleine hut waar twee vrouwen aan 't werk waren, — de eene zoo wat zeventien of achttien jaar en de andere misschien vier- of vijf-en-dertig; deze laatste met intelligente gelaatstrekken, en beiden zacht en vriende-

Sluiten