Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergeet-mij-nietjes, maar met de Vergetelheid van geheel de wereld?

Ik zeide zooeven dat het kwaad, waartoe de werkzaamheden van mijn Birminghamsche vrienden bijdroegen, geenszins hun schuld was. Zal ik zeggen wiens schuld het is? Ik word berispt door mijn verstandige vrienden, omdat ik te persoonlijk ben; maar waarlijk, ik Vind vaag verwijtende taal over 't algemeen slechts een vorm van wat Plato noemt skiamachia of schaduw-gevecht, en dat, als men niet eenvoudig kan zeggen: Gij zijt de man (of de vrouw, wat waarschijnlijker is), men evengoed in 't geheel niets kan zeggen. Daarom wil ik openhartig vertellen, zonder in wijderen kring af te dwalen, wiens schuld het is onder mijn eigen bijzondere vrienden. Ten eerste van die twee lieftallige dames die de vergeet-mij-nietjes met mij stonden te bestudeeren, — ja, en in 't voorbijgaan, van een mooi meisje uit Cheshire vdat later binnenkwam; — en dan van die bekoorlijke — (ik zeide niet dat ze bekoorlijk was, maar ze was het en is het) — dame die ik onder mijn hoede had te Furness Abbey (dl. I, XI p. 130) en hare twee dochters, en van een meisje dat mijn gemoed ten zeerste in de war bracht in de kerk, nog maar een Zondag of twee geleden, door het liefste, kleine, witte strooien hoedje dat ik ooit gezien had, slechts een of twee krulletjes van haar haar vrijlatend; — zoodat ik haar graag na den dienst een Gebedenboek cadeau had willen doen, haar vertellend dat haar eigen klein ivoren boekje te coquet was, en

van ik zou nog meer kunnen noemen, maar

laat de beschuldiging aan haar eigen gewetens over.

Dezen en hare gelijken (niet dat er velen haar gelijk zijn) zijn de eigenlijke bron en het begin.

Sluiten