Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondigt". Nog minder stellen zij ooit tegenover hun geliefkoosd vers van absolutie: „Indien iemand zondigt, wij hebben een voorspraak" — het geweldige achtste vers van het derde hoofdstuk : „Die de zonde doet, is uit den duivel: want de duivel zondigt van den beginne" met zijn voorafgaanden en volgenden tekst: „Kinderkens! dat u niemand verleide: hij die rechtvaardigheid doet, die ia rechtvaardig" en „Een iegelijk die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft".

Maar wat de moderne Christenen en hun geestelijkheid van dezen brief verkiezen te maken, daar is geen verontschuldiging voor eenig redelijk mensch, die hem nauwkeurig van het begin tot het einde leesV, en voorwendt zijn woorden verkeerd te begrijpen. Hoewel oorspronkelijk verward, hoewel naderhand woorden zijn ingelascht of verkeerd overgeschreven, toch blijft zijn boodschap nog duidelijk in hare drie deelen: (1) dat de Zoon van God in het vleesch is gekomen (hoofdstuk IV: 2, V: 20) ; (2) dat Hij ons oordeel gegeven heeft opdat wij Hem mogen kennen die waarachtig is (III : 19, IV : 13, V : 19, 20) ; en (3) dat wij met deze kennis weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben (III : 14). Welke leeringen alle zoo geheel van daad en waarheid zijn verkeerd in een loutere eentonigheid van niet geloofde frasen, dat geen taal nu letterlijk genoeg is om de kracht er van te doen doordringen in de geesten van mijn lezers. „Zijn dan deze uwe zusters?" vroeg ik met betrekking tot die twee smidse-arbeidsters aan onze sehoone Engelsche vrouwen.^Zij antwoorden niet, of zouden antwoorden, veronderstel ik: „Onze zusters in God, zeker", daarmee bedoelend dat zij in 't geheel geen zusters waren in de Menschheid, en gansch

Sluiten