Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrijpen dien vreemden vorm van daadwerkelijke menschelijke gelukzaligheid — het is „zaliger" (niet benedictum, maar beatum) te geven dan te ontvangen. Het is een vernedering — voorwaar — voor uws naasten kind een brood te ontvangen, en het doet u leed het te geven; uw eigen kinderen zijn toch niet vernederd hun ontbijt te ontvangen, is het wel?

Daarom nu, mijn goede Gezellen van het Gilde, allen die Gezellen zijn en allen die het worden zullen, — moet gij dit nu eens voor al goed begrijpen, dat gij u opmaakt om Gevers, niet Ontvangers, te zijn in deze menschelijke wereld: dat gij hebt te geven uw tijd, uwe gedachten, uwen arbeid, en het loon voor uwen arbeid, voor zoover gij het missen kunt, tot hulp der armen en behoeftigen (let wel, dat zijn niet dezelfde personen: de „armen" staan tot u in een vaste, gezonde en aangenomen betrekking, — de „behoeftigen" verkee"ren in een toestand die verandering eischt) ; en merkt in de tweede plaats op, dat gij te werken hebt, voor zoover de omstandigheden dat toelaten, met pw eigen handen, aan de voortbrenging van de werkelijke levensbehoeften — voedsel, kleeding, woning, of vuur — en dat gij alleen door zulk werk in uw eigen levensonderhoud of in dat van een ander kunt voorzien. Een van onze kortelings toegelaten Gezellen schreef mij onlangs blij en trotsch dat zij „haar eigen brood verdiende", bedoelende dat zij niet langer tot last harer familie was, maar zichzelf onderhield met onderwijs geven. Aan wie ik antwoordde — en laat dit antwoord nu algemeen verstaan worden door al onze Gezellen — dat niemand kan leven van onderwijzen, evenmin als van leeren: dat beide, onderwijzen en leeren, werkelijke plichten of genoegens van het menschelijk leven zijn, maar niets ter we-

Sluiten