Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de woorden des levens, verblijdde hij zich er in, dat ook hij was gesteld tot een opziener en dat de Koning der Kerk ook van hem wilde gebruik maken als van een instrument.

En dat zou nu gedaan zijn.

Dat men hem dit had aangedaan. Dat men hem ontnam nu, het werk, dat hij het zijne wist. O, die men~ schen, die menschen.

Toen hij op een middag naar Oldencate ging voor een verkooping, ontmoette Dijkinga hem op den weg en hield hem staande.

„Zoo, ol\" zei de dikke boer ruw, „nou is 't ook mit die doan. Joa, dat har 'k wel docht. Ik eerst, want ik bin ja zo'n kwoaje. Moar nou ie, nè? En ie wassen nog wel zo'n gouje. Nou ken ie zain, wat goudhaid weerd is. Trappen mou' je, ans niks. Voest mouten ze vuilen, vout

Sluiten