Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, den is 't mie ook goud", stemde Dijkhuis toe, maar Menkveld zei: „Ie binnen 't oldste van ons altmoal. En nou zei ie beden en wie zeilen stil wezen".

Toen snoot Dijkhuis met een kleine vingerbeweging zijn neus, zuchtte diep — — — en bad.

Over de menschen in 't kleine vertrek kwam een groote stilte. De oude man sprak tot God, zooals een kind tot zijn vader spreekt. Zóó bidt alleen iemand, die zelf klein is geworden, en nu, vertrouwend opblikkend naar den Vader, weet, dat hij gehoord wordt en verhooring zal ontvangen; zóó spreekt alleen iemand, die heel dicht leeft bij den Vader, die de Vaderhand voelt en aan het Vaderhart schuilt. Wat deerde het, of de oude Dijkhuis het in zijn bidden niet nauw nam met de taal; wat deed het er toe, of hij het een of ander

Sluiten