Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikke appels van een plank nam; een stil glimlachje gleed over zijn gelaat.

„Hier, mien jong".

„Danke".

„Stop ze moar ien buus".

O, wat een appels. Vier, vijf... nog meer. En Siemen telde: „Vaier, vief... honderd, 'k Ken ze nait ien buus hebben".

„Joawel. 'k Zei die wel helpen".

Jaantjes handen beefden, toen ze de appels in den jongensbroekzak trachtte te stoppen. Wat een eigenaardige gewaarwording, zóó dicht bij dat kleine mensch te zijn. En, plotseling, trok ze den kleinen jongen tegen zich aan; ze voelde den druk van zijn lichaampje; ze voelde ook, hoe^ hij worstelde om vrij te komen.

„'k Dou die ja gain kwoad, mien jong".

Neen, dat begreep Siemen ook

Sluiten