Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aantal sluizen.

Aansluiting aan het MerwedeKanaal verworpen;

Aanpassing van het plan aan de voorgenomen afsluiting van de Zuiderzee.

Vastgesteld Kanaaltracé

geval twee sluizen van gelijke capaciteit voor de op- en de neergaande schepen beschikbaar zijn.

Is aldus, naar het voorkomt, voldaan aan den eisch van een ruim profil en ruime sluizen, een tweede eisch brengt in dit geval mede het aantal sluizen tot het hoogst noodzakelijke te beperken en dus het verval tusschen Amsterdam en de sluis bij den Neder-Rijn slechts door één daartusschen te plaatsen sluis te overwinnen.

Aanvankelijk werd bij het ontwerpen van dit kanaalgedeelte gedacht aan een aansluiting aan het Merwedekanaal, op het punt waar dit, van Amsterdam komend, zich recht Zuidwaarts gaat wenden. Het gedeelte van het Merwedekanaal tusschen Amsterdam en bedoeld buigpunt zou 'dan ook voor het Vallei-Kanaal dienst blijven doen.

Daaraan waren evenwel twee hoofdbezwaren verbonden, vooreerst dat de sluis van het Merwedekanaal te Amsterdam te klein is en tweedens dat het Vallei-Kanaal de Vecht zou moeten kruisen, waarbij het, wilde men een schutsluis vermijden, noodzakelijk werd de Vecht zoowel met het kanaal als met het bewuste pand van het Merwedekanaal gemeen te dóen liggen. Een samensmelting der beide boezems van Amstelland en Vecht zou dus daarvoor noodig zijn, wat bij de betrekkelijk groote verschillen in waterstand, die zich op die boezems thans voordoen, tot technische en administratieve bezwaren zou aanleiding geven.

Bij hare beoordeeling van het kanaalontwerp Kalff, was de destijds (1880) daartoe ingestelde commissie' van hoofdingenieurs zelfs van oordeel, „dat een voorloopig kanaalontwerp niet mag berusten op onderstelde veranderingen in den waterstaatkundigen toestand, die zoo ingrijpend zijn als het brengen van een boezem, door een ander waterschap of als een vereeniging van boezems is".

Al zal men zich zeker thans wel niet meer op dergelijk standpunt stellen, toch kan niet ontkend worden, dat nog altijd aan een dergelijke ingrijpende wijziging eigenaardige bezwaren verbonden zijn, die in elk geval zeer vertragend op de uitvoering van een daarbij betrokken kanaalplan kunnen inwerken en dus zoo mogelijk dienen te worden ontgaan.

Inmiddels werd het wetsvoorstel tot afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee aangenomen, waardoor aan de uitwerking van het kanaalplan als vanzelf een bepaalde richting werd aangewezen.

Het lag daardoor voor de hand, ook omdat de afwatering aldus het best zou worden gediend, het kanaal met de Eem en met het toekomstige ringkanaal langs de Zuiderzeekust, gemeen te leggen en op die wijze den kanaalaanleg aan de Zuiderzeewerken geheel te doen aanpassen.

In het algemeen is dus gestreefd naar een kanaalontwerp dat vrij bleef van Vecht en Amstelland en zou aansluiten aan de bestaande Zuiderzeeplannen.

Het tracé (zie plaat 4) werd in verband daarmede als volgt vastgesteld:

Van Amsterdam uitgaande, wordt allereerst de afsluitdijk van Schellingwoude gepasseerd, door een aldaar te bouwen schutsluis, die de schepen van het Noordzeekanaal op het peil van de Zuiderzee brengt. De thans met die zee gemeenschap gevende Oranjesluizen zijn, hoewel voldoende breed en diep, te kort voor de grootste Rijnschepen. Als grootste afmeting der schepen voor deze sluis werd bij reglement, van politie Kon. Bt. van 19 Mei 1916 S.b. 190 vastgesteld: 90 M. lengte, 17.75 M. breedte en 3,50 M. diepgang, bij een kanaalpeil van 0,50 M. — N. A. P.

Sluiten