Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan te winnen grond.

Tweede wijze van aanleg van het Kanaalpand Amsterdam— Amersfoort. (Geval B).

De tusschen Muiderberg en Huizen van de Zuiderzee afgesneden waterplas, die thans reeds op den bodem met een dunne laag zeeklei is bedekt, zal als berging voor de specie, die uit het gedeelte Amsterdam-Muiderzand voortkomt, kunnen dienen en na inpoldering een waardevolle grondaanwinst kunnen vormen.

Behalve de aangegeven wijze van aanleg van het beschouwde gedeelte van het kanaal zijn, zooals reeds werd opgemerkt, nog andere oplossingen mogelijk en daaronder in de eerste plaats wel die, volgens het door den heer Wortman, Inspecteur Generaal van den Rijkswaterstaat, in de vergadering van de Afdeeling voor Weg- en Waterbouwkunde van het Kon. Inst. van Ingenieurs van 20 April 1918 aangegeven denkbeeld tot verplaatsing van de Oranjesluizen naar een nieuwen afsluitdam die, uitgaande van de Noord-Hollandsche kust, even bezuiden Marken, in nagenoeg Oostelijke richting zou loopen naar een punt, waar de, van Muiderberg komende, Noordwaarts gerichte dijk van den Zuid-Oostelijken Zuiderzeepolder, zich in Oostwaartsche richting gaat ombuigen.

Door laatsgenoemden dijk en den nieuwen afsluitdam zou op deze wijze een nieuwe boezem worden geschapen, die de boezem van het Noordzeekanaal met ongeveer 8000 H. A. zou vergrooten. Op dezen boezem zouden dan, zoowel de thans op het Noordzeekanaal uitwaterende polders, als de overige van Amstelland en die van de Vecht kunnen loozen, terwijl ook de Geldersche Vallei, middels de Eem en het kanaal, daarop geheel vrij zou kunnen uitwateren.

Dit denkbeeld heeft oogenschijnlijk groote voordeelen voor de afwatering van al de daarbij betrokken gebieden.

In dezerzijdsche nota van Maart 1917 werd reeds vermeld, dat onder de bestaande omstandigheden volgens deskundige schatting, een viervoudige vergrooting van den Vechtboezem zou noodig zijn om de aldaar bestaande bezwaren in de afwatering op te heffen, zoodat deze alsdan een vermeerdering van oppervlak van 3 X 240 = 720 H. A. zou moeten erlangen. Voor de Eem zou, zooals daar werd betoogd naar evenredigheid een boezem van 24 X 65 = 1590 H. A. noodig zijn.

Dit maakt te samen 2310 H. A. De boezem van het Noordzeekanaal heeft een oppervlak van ongeveer 1000 H. A. Het behoeft dus wel geen betoog, dat het beschikbaar stellen van een boezemoppervlak van 8000 H. A. onder de tegenwoordige omstandigheden een zeer groote verbetering van de afwatering van alle betrokken gebieden zou beteekenen.

Het spreekt vanzelf dat alsdan de Eem en het kanaal geheel van de Zuiderzee afgescheiden zouden moeten worden door een zeedijk, die uitgaande van de beoosten de Eem gelegen Veen- en Veldendijk, de rivier afsnijdend, langs de Noordzijde van het kanaal tot Muiderberg zou moeten doorloopen en daar aan de Noordwaarts gerichte polderdijk zou moeten aansluiten.

Die zeedijk — later toch noodig als polderdijk voor den Z.O. Zuiderzeepolder — zou dus de bovenbeschreven dam langs het kanaal voor het gedeelte tusschen Huizén en Muiden vervangen, terwijl het verdere gedeelte van dien dam tusschen Muiden en Amsterdam geheel zou kunnen vervallen, omdat men alsdan voor dat gedeelte wel met het baggeren van een geul in den afgesloten boezem zou kunnen volstaan.

Die door dijken omringde boezem zou toch voor de Rijnaken een voldoend veilige vaart waarborgen, welke vaart ook trouwens thans op de Zuiderzee

Sluiten