Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerstens gaf daartoe aanleiding de zorg voor de voeding van het kanaal van uit den Rijn, in verband met het voor het bovenkanaalpand gekozen peil van 5.10 M. + N. A. P.

De kanaalmond komt thans op 3000 M. beneden peilschaal Lekskensveer en dus 4820 M. boven die van de Grebbe, mitsdien, waar het verhang ongeveer 10.9 c.M. per K. M. bedraagt, correspondeert een waterstand van 5.10 M. + N. A. P. in de rivier bij den kanaalmond, met een stand van 4.57 M. + N. A. P. aan de Grebbe.

Uit de graphische voorstelling op plaat 2 van het gemiddeld aantal dagen per jaar, waarop verschillende waterstanden in den Neder-Rijn voorkwamen, blijkt, dat de rivier aan de Grebbe gemiddeld nog geen 4 dagen per jaar (maximum 20 dagen in 1906) beneden dat peil van + 4.57 is geweest. Daarbij in aanmerking nemende, dat de rivier niet meer dan hoogstens 0.13 M. beneden bedoeld peil is gedaald, kan men dus zeggen, dat de voeding van het kanaal op het gekozen punt als verzekerd is te beschouwen.

In het kanaalontwerp van 1878 was een kanaalpeil van 5.30 M. + A. P. aangenomen, welke stand dus op het punt van overgang volgens het destijds gewijzigde ontwerp, met een rivierpeil van 5.00 M. + N. A. P. aan de Grebbe overeenkomt.

Uit de graphische voorstelling blijkt weer, dat de rivier in de pe'riode 1901—1910 gemiddeld 29 dagen (maximum 68 in 1907) beneden het genoemde kanaalpeil zou zijn geweest, terwijl het rivierpeil tot hoogstens 0.56 M. beneden dat peil zou zijn gedaald.

De gelegenheid tot voeding van het kanaal was dus bij het destijds opgemaakte ontwerp minder gunstig dan in het thans voorgestelde. Men meende destijds evenwel, dat het geen bezwaar was, dat in het kanaal lagere standen konden optreden als ook de rivier beneden den normalen laagwaterstand daalde, omdat dan toch ook de rivier zelf minder bevaarbaar werd en het kanaal aan geen hoogere eischen dan de rivier, wat bevaarbaarheid betreft, behoefde te voldoen.

Naar het voorkomt dient daarbij thans wel in het oog gehouden te worden, dat, stond men destijds nog voor het geval, dat de gewenschte diepte beneden N. L. W. op de Waal nog verre van bereikt was, men sedert 1913 wel zoover is gekomen en dat verdere verbetering en verdieping van onverdeelden Rijn en Waal zeer zeker wel niet als uitgesloten is te besehouwen, terwijl het bovendien toch wel wenschelijk is de onbelemmerde vaart op het kanaal te handhaven, ook als die op de rivier zelf te wenschen over laat.

Het ligt dus voor de hand thans hoogere eischen te stellen dan men destijds deed.

Is dus voor een ongestoorde voeding van het kanaal de uitmonding in de buurt van Wageningen wenschelijk te achten, daarbij komt dat bedoeld punt ook een gunstige gelegenheid voor den rivierovergang biedt.

Zooals uit plaat 8 blijkt, vindt men daar ter plaatse een korte overgang van de riviergeul van linker- naar rechteroever, een kort riviervak dus, dat over de geheele breedte een meer regelmatige diepte heeft, wat voor den overgang der schepen en den toegang tot de havenmonden voordeden biedt.

Maakt men nu den haveningang op den rechteroever een weinig boven het punt waar de stroom het sterkst op den oever begint aan te vallen en die op den anderen oever een weinig beneden het punt van den sterksten aanval zoodat de ingangen beide buiten den sterksten stroom vallen en legt men

Sluiten