Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kanaalpand in de Betuwe.

Aanleg als oper doorgraving met één schutsluis.

Kwelbez waren.

Bezwaren bij d ij ks doorbraak

Werd daaraan 40 jaar geleden nog niet gedacht, de techniek op dit gebied heeft zich sedert zoodanig ontwikkeld, dat men hiertegen thans niet meer behoeft op te zien, terwijl men dan allicht goedkooper en zekerder tot zijn doel komt dan door aanleg van kribben of dammen.

De vrees, dat een dergelijke gebaggerde geul als het ware onmiddellijk weder verzandt, heeft geen grond. Reeds jaren geleden (de Ingenieur 1907 No. 41) had ondergeteekende gelegenheid te. wijzen op de gunstige uitkomsten met het baggeren van geulen, zoowel in open zee als in rivieren, verkregen en ook de bij den Nieuwen Waterweg opgedane ondervinding heeft geleerd, dat deze geulen vrij goed in stand blijven, indien maar de stroom niet dwars over de geul loopt wat daar, bij de wisselende vloeden ebstroomen, wel voorkomt, doch waarvan hier nooit sprake kan zijn.

In elk geval ware tot het aanleggen van dergelijke werken tot beperking van het rivierbed eerst over te gaan, nadat proefondervindelijk gebleken zou zijn, dat zulks geldelijk voordeel zou geven, waarbij dan tevens de ondervinding geleerd zou hebben welke werken als bepaald noodig zouden zijn te beschouwen.

Er valt omtrent dit onderdeel van het werk velerlei op te merken en het is een prachtig punt voor onvruchtbare polemiek, doch tenslotte zal men het best doen tastenderwijze tot een gewenscht resultaat te komen, al kan dan ook aan het bereiken daarvan wel geen twijfel bestaan. Dit zal ook de minst kostbare weg zijn.

Niettemin is in de raming van kosten op een aanzienlijk bedrag voor dergelijke werken gerekend.

Wat betreft het pand in de Betuwe kan het volgende worden vermeld.

Van dit pand zal door de doorgaande Rijnvaart niet altijd gebruik behoeven te worden gemaakt. Zoodra de Neder-Rijn tot 1 M. boven N. L. W. of hooger is gestegen kunnen ook de grootere schepen den weg langs deze rivier volgen, wat gemiddeld over het tijdvak 1901 —1910 gerekend, gedurende 154 dagen per jaar het geval was (maximum 286 in 1910, minimum 104 in 1903).

Als schakel tusschen Rijn en Waal en voor de vaart naar de Maas behoudt dit pand echter gedurende het geheele jaar zijn waarde, i Werd voor dit kanaalgedeelte aanvankelijk, evenals in 1878, gedacht aan den aanleg van een kanaal met betrekkelijk laag peil en aan de beide einden van de rivieren door sluizen gescheiden, nadere studie leidde er aldra toe dit denkbeeld te verlaten en een open doorgraving te ontwerpen, ingesloten tusschen hooge bandijken en in het midden voorzien van een sluis tot het gescheiden houden van de beide rivieren, bij die standen, waarbij dit noodzakelijk zou worden geacht.

De afstand tusschen Rijn en Waal is slechts kort. De beide voorhavens en de twee sluizen zouden daarvan nog een aanmerkelijke lengte afnemen, zoodat voor het kanaal zelf slechts zoo korte lengte zou overblijven, dat het verkeer hierop eigenaardige bezwaren zou meebrengen.

Als vanzelf kwam men dus tot een open doorgraving waartegen, naar het onderzoek omtrent de kwel had geleerd, — waarover in bijlage B. wordt gehandeld — ook uit een technisch oogpunt geen bedenking zou kunnen bestaan.

Het eenige bezwaar tegen deze wijze van aanleg was, dat bij het voorkomen van een doorbraak van Rijn- of Waaldijk, bovenstrooms van het kanaal, het de Betuwe binnenstroomende water, dat thans geleidelijk naar

Sluiten