Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waal dalen en in het kanaal een zeker verhang ontstaan, terwijl verder de Rijn tengevolge van den watertoevoer zal stijgen.

Verwaarloozen we voorshands dat verhang, dan zal bij een daling van x cM. op de Waal, de Rijn 25 — x cM. stijgen, mitsdien wordt x X 3.91 == (25 - x) X 1.53, waaruit x — 7 cM. en 25 — x =s 18 cM.

De afvoer door het kanaal zal dan 7X3.91 of 18X1.53, dus ongeveer 27 M3 bedragen.

Bij het groote kanaalprofil zal voor dezen geringen afvoer het verhang in het kanaal uiterst gering zijn en dus inderdaad verwaarloosd kunnen worden.

Het blijkt dus in 't algemeen, dat bij een vrij beteekenend verschil in waterstand, de afvoer door het kanaal van weinig beteekenis zal zijn en op het algemeen régime van de rivieren geen noemenswaarde invloed zal hebben.

Uit de gegevens blijkt verder, dat de beide rivieren binnen de aangegeven grenzen nagenoeg gelijk op en neer gaan. Het verschil in hoogte tusschen M. R. en N. L. W. bedraagt toch bij de Waal te Dodewaard 1 M. en bij den Rijn aan de Grebbe 0.84 M., zoodat het dus niet moeilijk zal zijn de eindpunten van het kanaal zoodanig te kiezen, dat het niveauverschil op die punten geen bezwaar oplevert voor het openhouden van het kanaal.

De wijzigingen in den waterstand, tengevolge van de aftapping of toevoer van water, zijn voor den Neder-Rijn veel grooter dan voor de Waal. Een geringe aftapping van de Waal schaadt niet veel aan de diepte. Voor den Rijn is dat betrekkelijk wel het geval. Het is dus aangewezen te zorgen, dat als regel alleen aftapping van de Waal naar den Rijn kan voorkomen en dat deze zoo gering mogelijk zij.

Uit bovenstaande gegevens is gemakkelijk af te leiden, dat het peil voor den kanaalmond aan de Rijnzijde, die 2500 M. beneden Lekskensveer ligt, zal worden: bij N. L. W. 5.98 M. + N. A. P. en bij M. R. 6.84 M. + N. A. P., terwijl de laagste stand wordt 5.02 M + N. A. P.

In verband daarmede schijnt een uitmonding op de Waal bij kilometerraai 39 + 500 d. i. 3900 M. boven peilschaal Dodewaard, of iets lager, wel geschikt.

De waterstanden zullen aldaar zijn: N. L. W. 6.09 M. + N. A. P., M. R. 7.09 M. + N. A. P., laagste stand 5.01 M. + N. A. P. In het algemeen komt dan bij den laagsten stand het water in beide rivieren op hetzelfde niveau ongeveer. Bij N. L. W. staat de waal 0.11 M. en bij M. R. 0.25 M. hooger dan de Rijn.

Bedoeld punt van uitmonding op de Waal komt ook wel geschikt voor met het oog op de richting van den stroom, die daar, afgaande op de peilkaarten, van den rechter oever begint af te wijken en dus niet in den havenmond valt, terwijl deze zich toch vrij dicht bij de riviergeul bevindt.

Komen de standen boven M. R., dan zal de sluis desgewenscht gesloten kunnen worden en kunnen de Rijnschepen alsdan den weg langs den NederRijn nemen of zich laten schutten.

De verschillen tusschen de standen van Rijn en Waal worden grooter, naarmate de rivieren meer stijgen. De Waal stijgt daarbij iets sneller dan de Rijn.

Bij de allerhoogste standen, b.v. bij die van 4 tot 5 Januari 1883, zou de waterstand in het kanaal aan den Rijnkant ongeveer op 10.91 M. + N. A. P. en aan den Waalkant op 11.54 M. + N. A. P. zijn gekomen. Het verschil in waterstand ter weerszijden van de sluis zou alsdan dus toch niet meer dan ongeveer 0.63 M. hebben bedragen.

Sluiten