Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu kan men zich op het standpunt stellen, dat men met de doorvoering van die meest verstrekkende eischen op afwateringsgebied niet zal kunnen wachten totdat de Zuiderzee zal zijn afgesloten, dat men dus, na eeuwen lang berust te hebben in een alles te wenschen overlatenden toestand, plotseling voor het geheele gebied zonder uitzondering, tot het meest volmaakte zal moeten komen en niet tevreden kan zijn met de al dadelijk te verkrijgen zeer groote voordeden, die dan later na de afsluiting tot het allerhoogste kunnen worden opgevoerd.

Naar het voorkomt zal echter, waar tot de uitvoering van de kanaal- en andere afwateringswerken nog niet is besloten en deze buitendien nog eenige jaren voor uitvoering zullen vorderen, het tijdsverschil tusschen het gereed komen dier werken en de voltooiing der Zuiderzeeafsluiting niet zeer groot kunnen zijn. De groote uitgaven, die het plotseling overal in het leven roepen van dien volkomen toestand vorderen, zouden voor die enkele jaren dat men daarvan nut zou hebben, zeker niet gewettigd zijn. Die tijd kan nuttig aangewend worden met het overwinnen van den tegenstand van belanghebbenden, die voorloopig zeker niet algemeen met die meer intensieve ontwatering zullen instemmen, om daarna geleidelijk tot invoering daarvan te komen.

Wat nu betreft de reeds hierboven ter sprake gekomen afwatering van de Barneveldsche Beek.

Dit gebied wordt door het kanaal in twee gedeelten gesplitst. Zoowel de beek zelf als hare zijtak de Modderbeek en de affluent daarvan, de Moorserbeek, worden door het kanaal gesneden.

De Moorserbeek ligt bij het snijpunt te diep om in het kanaal te kunnen worden opgenomen, doch wordt middels een bermsloot beoosten langs het kanaal naar het benedendeel van de beek en aldus naar de Modderbeek teruggevoerd.

Laatstgenoemde beek kan beneden de schutsluis, die de beide panden van het kanaal scheidt, en die ten N. O. van Hamersveld is ontworpen, onmiddellijk in het benedenste kanaalpand loozen en ontlast aldus de benedenloop van de Barneveldsche Beek. Een K. M. verderop wordt dan tevens die beek in het kanaalpand opgenomen.

In dat benedenste kanaalpand zullen voorloopig de tegenwoordige Eemstanden heerschen, zijnde bij Amersfoort 0.25 M. + N.A. P. voor het middelbaar Hoogwater, 0.04 M. -f- N. A. P. voor middelbaar Laagwater.

Als gevolg van het zeer ruime kanaal zullen die standen meer naderen tot de zeestanden, zijnde respectievelijk + 0,10 en — 0.21.

Opstuwing van Barneveldsche en Modderbeek door het Luiaardpeil der stadsgrachten, 0.62 M. + N. A. P., wordt dus voor het hier beschouwde gebied al dadelijk opgeheven en het afwateringspeil belangrijk verlaagd, althans de mogelijkheid daartoe geopend, want zonder het bed der beken op het nieuwe peil in te richten, zou men tot die verlaging niet straffeloos kunnen overgaan. Groote uitschuring toch en zandtoevoer naar het kanaal zou daarvan het gevolg zijn. Men zal dus op het punt waar de beek in het kanaal valt een stuwsluisje moeten bouwen om de beek op peil te houden.

Het allerlaagste terrein van dit gebied ligt bij het snijpunt van het kanaal met de Modderbeek op 1.30 M. + N. A. P. en bij het snijpunt met de Barneveldsche Beek op 1.35 M. + N. A. P. dus ongeveer 1.50 M. bovenden te verwachten middelbaren laagwaterstand en ruim 1.70 M. boven het toe-

Sluiten