Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nota omtrent de kwel in de Betuwe.

Het is bekend, dat een veertigtal jaren geleden de vrees voor toeneming van de kwel tengevolge van het maken van een kanaal dwars door de • Betuwe, een bezwaar was, dat door de tegenstanders van een kanaal door de Geldersche Vallei zeer op den voorgrond werd gesteld, al waren het dan ook slechts bij uitzondering de deskundigen, welke die vrees deelden.

Omtrent die kwel zijn van Waterstaatswege in de jaren 1879—1881 omvangrijke onderzoekingen verricht, waarbij 89 grondboringen, voornamelijk langs de rivierdijken, werden uitgevoerd en verschillende waarnemingen in standpijpen en kolken werden gedaan.

Het verzamelde materiaal werd in handen gesteld van Dr. F. Seelheim, die ter zake een verslag uitbracht (Landsdrukkerij 1883).

Uit dat onderzoek is gebleken dat in de Betuwe over het algemeen vrij duidelijk afgescheiden grondlagen over elkaar worden aangetroffen, die door bepaalde kenmerken te onderscheiden zijn en over groote uitgestrektheden in dezelfde opvolging teruggevonden worden.

Die lagen, voor zoover ze hier van belang zijn te achten, zijn op plaat 3 schematisch voorgesteld. De beide daarop aangegeven dwarsprofielen zijn uit het genoemde verslag overgenomen, echter aangevuld met de kenmerkende hoofdstanden der rivieren. De overige voorstellingen zijn met behulp van in dat verslag voorkomende gegevens samengesteld.

De boven bedoelde grondlagen zijn, van boven naar beneden gerekend: klei, zand en klei, zand, alle tot het alluvium behoorend, waaronder een dikke laag diluviaal grintzand ligt, die benedenwaarts door andere diluviale zandlagen wordt opgevolgd.

Grond met 20 °/0 of meer klei is nagenoeg ondoordringbaar voor water en wordt door Dr. Seelheim onder den naam van „klei" aangeduid bij het alluvium en als „leem" als ze tot het diluvium behoort.

Het spreekt van zelf, dat, gegeven de wijze waarop de lagen door de rivieren zijn afgezet, van een scherpe scheiding, vooral tusschen de alluviale vormingen, geen sprake is. De diluviale zand-grintlaag is in het algemeen van de bovenliggende formaties scherper afgescheiden, doch tusschen de alluviale lagen komen vermengingen en afwisselende opeenvolgingen voor. Over het algemeen echter is de gemiddelde ligging, zooals in het lengteprofiel getracht is zeer schematisch weer te geven.

Een -kenmerkend, en voor de zaak waarom het hier gaat van zeer veel gewicht zijnd, karakter der afzettingen is de komvorming, die zich niet alleen in de alluviale lagen, doch ook zeer sprekend in de diluviale zand-grintlaag voordoet. Alle lagen verheffen zich naar den kant der rivieren en juist dit is m.i., zooals zal blijken, als een van de voornaamste oorzaken van de kwel te beschouwen.

Uit de dwarsprofielen en de daarin aangegeven rivierstanden, wordt het wel duidelijk dat de onderliggende doorlaatbare zand- en grintlagen ook van de rivieren uit worden gevoed en dat het daarin opgenomen water zal trachten de bovenliggende grondlagen te doordringen, overal waar daarvoor

Sluiten