Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gelegenheid gunstig is, door de aanwezigheid van doorlaatbaar materiaal.

Dit blijkt wel uit de in standpijpen verrichte waarnemingen, waarvan in elk profil drie seriën van gelijktijdig waargenomen waterstanden zijn aangegeven. Die waterstanden geven den druk aan waaronder het water aan den onderkant der pijpen verkeert en mitsdien de hoogte tot waar het water zou stijgen, indien de bovenliggende grondlagen op dat punt volkomen doordringbaar waren en aan de doorstrooming geen weerstand boden.

Daar waar dus de waterstanden in de pijpen boven het terrein stijgen, kan onder dergelijke gunstige omstandigheden, zooals plaatselijke afwezigheid van de dekkende kleilaag als anderszins, sprake zijn van opkwellen van grondwater.

Waren de waterdoorlatende lagen homogeen van samenstelling dan zou de lijn, die de waterstanden der standpijpen verbindt, steeds een vloeiende kromme lijn moeten zijn. De werkelijk daarin voorkomende sprongen hebben hun oorsprong in het gemis van die homogeniteit.

We zien nu uit de profillen dat dichtbij de rivieren de afwisseling in druk in de watervoerende laag ongeveer l'/2 a 2 M. kan bedragen, doch meer binnenwaarts geleidelijk afneemt en op 3 a 4 K.M. afstand van de dijken vrijwel verdwijnt en de waterspiegel in de standpijpen zich aldaar opeen hoogte van ongeveer '/3 M beneden middelbaren rivierstand blijft handhaven.

De verklaring hiervan is te zoeken in het feit dat de toe- of afneming in waterdruk, die zich, bij hooger of lager worden van den rivierstand, op bodem en wanden van de rivier natuurlijk onmiddellijk doet gevoelen, zich in een richting loodrecht op de rivier, slechts langzaam in de water doorlatende lagen voortplant en dat die invioed, wegens den te korten duur der wisseling in de rivierstanden, op 3 a 4 K.M. afstand van de rivier nagenoeg niet meer merkbaar wordt. Op dien afstand vindt men dus in de waterhoudende lagen een gemiddelde, zoo goed als niet meer varieerende, druk die dan uit den aard der zaak moet overeenkomen met den gemiddelden druk op bodem en wanden der rivier, wat weer wil zeggen dat de waterstand in de standpijpen, op dien afstand van de rivier, ongeveer met M.R. moet samenvallen.

Dat hij, zooals uit de profillen blijkt, feitelijk een weinig daar beneden blijft zou te verklaren zijn door de omstandigheid dat het water in de doorlatende lagen niet in rust is, en dat in een richting loodrecht op de rivier een gering verval wordt verbruikt voor afstrooming van kwelwater.

Waar nu de middelbare rivierstand, naarmate men meer westwaarts komt, ten opzichte van het terrein stijgt — de helling van het terrein toch is in die richting grooter dan de helling van den waterspiegel in de rivieren — zoo neemt het gevaar voor opkwellen van water toe naarmate men meer westwaarts gaat.

Zooals uit de in het profil aangegeven seriën van waterstanden in de standpijpen blijkt, bestaat dit gevaar in de lijn Arnhem—Nijmegen nog in het geheel niet. Die waterstanden, evenals de M.R., blijven daar overal, zelfs tot-dicht bij de rivieren, beneden het terrein. Alleen van eenige kwel, op de bedoelde wijze, naar den bodem van de in het terrein ingesneden waterloopen zou daar sprake kunnen zijn.

In de lijn Opheusden—Dodewaard bestaat dat gevaar echter, althans bij de hoogere rivierstanden, wel. Eensdeels omdat de M. R. daar reeds boven het terrein begint te komen, anderdeels als gevolg van de omstandigheid,

Sluiten