Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de veelal voor polderbemaling aangenomen 0.9 M*. en de maximum afvoer van Rijnland ad. 1.17 Ms. per sec. per 1000 H.A., zijn de afvoercijfers voor het beschouwde deel van de Betuwe zeker niet verontrustend.

De conclusie waartoe Dr. Seelheim in zijne beschouwingen komt „dat de Linge haar water bij lage waterstanden uitsluitend uit de groote rivieren ontvangt en dat de geheele rivier niets anders is dan een afwateringskanaal voor het kwelwater van Lek en Waal", komt dan ook m.i. niet juist voor. Het is in hoofdzaak de regenval die de Lingestanden beheerscht en de kwel in al zijn vormen, is op den afvoer slechts van beperkten invloed te achten.

Het is nu de vraag welke wijziging zich in den toestand betrekkelijk de kwel zal voordoen, wanneer dwars door de Betuwe in de ontworpen richting een verbinding tusschen Neder-Rijn en Waal wordt tot stand gebracht met één sluis, ergens in het midden, ter scheiding van beide rivieren bij die standen, waarbij dat gewenscht zal voorkomen.

Het eerste gevolg van dergelijken aanleg zal zijn, dat de rivierdijken, die voor het gebied beoosten het kanaal een ontwikkelde lengte van rond 60 K.M. hebben, met 5 K.M. dus met ongeveer 8 % worden verlengd. De toename van de kwel zal evenwel niet aan de toename der dijkslengte evenredig zijn. De nieuwe dijken toch zullen in betere omstandigheden verkeeren dan de bestaande, omdat ze op een goede waterkeerende kleilaag worden aangelegd en de waterhoudende zand-grintlagen hier niet zoo dicht tot den grondslag der dijken naderen als dit bij de bestaande rivierdijken op vele plaatsen het geval is. Men heeft buitendien de gelegenheid, waar nog noodig, door het maken van kleikoffers het doorkwellen van de alluviale lagen, direct onder de dijken door, geheel te beletten.

De in het algemeen overheerschende soort van kwelbezwaar kan dus, wat de nieuwe dijken betreft, geheel worden overwonnen. Blijft dus nog het bezwaar voortspruitende uit de omstandigheid, dat de onderliggende zeer voor water doordringbare diluviale zand-grintlagen in de nabijheid van het nieuwe kanaal onder hooger druk dan de tegenwoordig heerschende zullen kunnen komen, waardoor dus in een serie standpijpen geslagen in een richting loodrecht op de kanaalas, zich een zelfde verschijnsel zal gaan voordoen als thans in een dergelijke serie loodrecht op de rivierdijken gelegen wordt waargenomen, te weten een stijging bij hooge rivierstanden van den waterstand in de pijpen in de nabijheid der dijken, die eerst op 3 a 4 K.M. afstand niet meer merkbaar zal zijn.

Het ligt in verband met het vroeger ontwikkelde voor de hand dat zoolang de waterstand in het verbindingskanaal niet boven M. R. stijgt, de tegenwoordige gemiddelde meer constante waterdruk, die in de doorlatende lagen heerscht, geen verhooging zal ondergaan, allicht zelfs eenige verlaging, in de nabijheid van het kanaal, bij het optreden van lagere rivierstanden.

Alleen bij standen boven M. R. zal dus gevaar gaan ontstaan, dat door plaatselijk minder dichte gedeelten van de deklagen, binnen een afstand van 3 è 4 K.M. van het kanaal gelegen, water zal kunnen opkwellen.

De reeds vermelde ondichte plekken in de buurt van het kanaal bij Randwijk en Zetten, Andelst enz. liggen evenwel alle op te grooten afstand, dan dat zij nog door de hooge kanaalstanden beinvloed zouden kunnen worden. Alleen de op ongeveer '/2 K.M. ten westen van het kanaal gelegen kolken van den Spanjaardsdijk zullen eenigen invloed van de hoogere kanaalstanden kunnen ondergaan. Er zal dus alle aanleiding zijn die kolken zoo

Sluiten