Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ster-re, De ster-re stond bo • ven de grot. doe-ken, Het Kind-je in doe-ken was God. waar-de, Zé droe-gen die schat-ten voor God.

4. De koningen kwamen en gaven: * Het goud voor den Heer in de grot; * Het myrrhe was om te begra ven, * Het wierook beteekende God.

5. De koningen kwamen en gingen, * Het kindeke bleef in de grot; * Nu komen wij 't Kindeke omringen, * Aanbidden het Kindje als God.

zoete; naam.

Sluiten