Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inlandsen gedistilleerd geheven wordende meer bedraagt, zooveel meer als door de koloniale wetgever zal worden vastgesteld.

Bij de herziening van de tariefwet afgekondigd in Staatsblad 1907 No. 263 werd het recht op gedistilleerd vastgesteld op ƒ 50 per H.L. Tot 1 April 1915 bleef dit recht bestaan; bij Staatsblad 1915 No. 225 en 1921 No. 210 werd het achtereenvolgens verhoogd tot ƒ 75 en ƒ 150 per H.L., zulks in verband met de omstandigheid dat de accijns op Inlandsen gedistilleerd op gelijke bedragen was gesteld. De voorloopig vastgestelde begrooting voor het dienstjaar 1922 houdt wederom rekening met een verhooging van 50%.

Uit het voorgaande blijkt, dat de bemoeienis van de Overheid t. a. z. van den aanmaak, invoer en verkoop van sterken drank van weinig ingrijpenden aard is en in scherpe tegenstelling schijnt te zijn met de overheidszorg t. a. z. van een ander, eveneens voor de volksgezondheid in veler oogen schadelijk genotmiddel, de opium.

Daar treft men aan talrijke bepalingen, alle met de strekking om uit te sluiten, iedere rechtstreeksche verleiding tot gebruik en alle belang der debitanten bij stijgend debiet. De oorzaak van dit verschijnsel moet, naar de commissie meent, worden gezocht in den nauweren band, welke tengevolge van het bestaan van het monopolie Regeering en opium bindt. Monopoliseering toch brengt als complement reglementeering mede, al ware het alleen tot bescherming van het bedrijf, en schept de zedelijke verplichting de ergste misbruiken tegen te gaan.

§ 7. Over de wenschelijkheid van een absoluut drankTerbod.

OVERZICHT DER BESPREKINGEN.

In den boezem van de Commissie kunnen t. a. z van dit vraagstuk twee stroomingen worden onderscheiden nl. voorstanders van een drooglegging en voorstanders van een politiek, om, op krachtiger wijze dan thans, het drankgebruik te beteugelen en tegen te gaan, ten einde misbruik te voorkomen en op deze wijze, indien de omstandigheden zulks wenschelijk maken, den weg vrij te maken voor een absoluut drankverbod.

De voorstanders van een absoluut drankverbod verdedigden hun standpunt volgender wijs.

Op Java is van een bepaald alcoholmisbruik onder de inheemsche bevolking nog geen sprake. De enquête-Engelenberg heeft dit bereids uitgewezen (zie o.m. blz. 105 van het Alcohol-enquête rapport). Wel is te constateeren een toenemend gebruik van sterke dranken op Inlandsche feesten, terwijl mede bij de inheemsche bevolking de neiging begint te ontstaan om Europeesche drinkgewoonten over te nemen. Het kwaad van misbruik van alcohol heeft onder de inheemsche bevolking nog geen ingang gevonden. Het is evenwel dreigende en gevreesd moet worden dat, indien alcoholgebruik algemeene ingang zoude vinden het groote verwoestingen zal aanrichten en een tegengaan van dit euvel veel moeilijker dan thans zal zijn. De Inlander, eenmaal aan het genotmiddel van den sterken drank gewend, zal zich gereeder tegen een drankverbod verzetten dan wanneer hij met het gebruik van alcoholische dranken onbekend, of nagenoeg onbekend is. Burgerrecht heeft de sterke drank nog niet in de Inlandsche maatschappij verkregen. Maar bestaande toestanden

Sluiten