Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hoedanigheid der politie hier te lande is nog van dien aard, dat van afdoende nakoming van een alcoholverbod in een langen reeks van jaren geen sprake zijn kan. De talrijke clandestiene stokerijen en tapperijen in de benedenstad van Batavia en ook in de wijk Senen, waar, niettegenstaande het bestaande verbod, voor de gezondheid rechtstreeks zeer schadelijke spiritualiën aan Europeesche militairen worden verkocht, zijn hiervan een sprekend bewijs.

Het zou geen goede politiek zijn verbodsbepalingen in het leven te roepen zonder van voldoende naleving zeker te zijn. Alleen derhalve reeds op grond van overwegingen van zuiver practischen aard, meenden deze leden een alcoholverbod te moeten ontraden.

Ten slotte wenschen deze leden er op te wijzen, dat h. 1.1. van een alcohol-misbruik, ook onder het Europeesche deel der bevolking, geen sprake is. Openbare dronkenschap komt dan ook betrekkelijk weinig voor.

De hoeveelheden ingevoerde alcoholische dranken nemen wel is waar toe na den verminderden invoer als gevolg van den Europeeschen oorlog, maar hebben over het geheel toch nog niet het peil van vóór 1916 in maar eenigzins belangrijke mate overschreden. Ter ondersteuning van die meening werd verwezen naar de als bijlage No. 3 bij dit verslag gevoegde opgave. Noch de toename, noch de hoeveelheid zelve, is van dien aard, dat een absoluut alcoholverbod er door gewettigd is.

Bovendien verwachten de tegenstanders veel meer heil van opvoeding (bv. het reeds op de scholen wijzen op gevaren van overmatig alcohol verbruik) gepaard met rechtstreeksche bestrijding van excessen dan van een volstrekt alcoholverbod. Wat dit betreft, laten zij hier met instemming volgen hetgeen de Nieuwe Rotterdammer Courant (maileditie) van 25 Juni 1921 daaromtrent vermelde naar naar aanleiding van het wetsvoorstel van het lid der 2de Kamer, den heer Rutgers, betreffende de plaatselijke keuze.

„Wie in het recht een zedelijke kracht ziet, moet erkennen, dat de wet aan die zedelijke kracht haar macht ontleent. Voorkomen moet worden, dat men het wettelijke recht gaat gevoelen als een in strijd met onze innerlijke gevoelens zijnde heerschappij.

Jellenick heeft eens in een lezing te Weenen zeer sterk den nadruk er op gelegd, dat de wetgever zich steeds voor oogen behoort te houden, dat het een sociale eisch van den eersten rang is, dat er in het maatschappelijk leven steeds een sfeer open blijft, waar niemand ooit gedwongen wordt zich aan een meerderheidsbesluit te onderwerpen.

Deze sfeer af te bakenen is niet wel mogelijk, maar vast staat, dat daartoe in elk geval behoort het familieleven en al die gedragingen der individuen, die met het zedelijk verantwoordelijkheidsgevoel verband houden. Zoolang op dit gebied het openbaar belang of de rechten van derden niet worden geschaad, moet de wetgever in het belang van een door het geheele volk gedragen wetgeving, niet dwingend optreden.

Een voorbeeld moge dit verduidelijken.

Het sparen moet als een sociale deugd van de grootste beteekenis worden aangemerkt. Als maatschappelijk verschijnsel valt zeer te betreuren, dat de beleggingen bij de Rijkspostspaarbank sterk achteruitgaan en het bedrag der

stelling. De wet is voor het overige een gevolg van een referendum, dat op 20 October in Britsch-Columbië gehouden is. Daarbij verklaarde de meerderheid zich voor verkoop van regeeringswege van mout- en alcoholhoudende dranken in verzegelde verpakking en brak zy den staf over het volstrekte drankverbod.

Sluiten