Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

z. g. Herzieningscommissie, dat, voor zoover dit het publieke recht betreft, onderscheid van landaard verwerpt. Mede op grond hiervan achtte de Commissie het ongewenscht om voor de verschillende bevolkingsgroepen ver™ jW! schillende bepalingen in het leven te roepen.

§ 8. Gevoelen van de Commissie t. a. z. van de Motie De Tweede Kamer der Staten-Generaal nam in de zitGerhard. ting van 7 Maart 1918 de volgende motie aan:

„De Kamer,

van oordeel, dat ter afdoende bestrijding van het alcoholgevaar voor Nederlandseh-Indië het wenschelijk is dat er een algemeen alcoholverbod voor de geheele Inlandsche bevolking en de daarmede gelijkgestelden wordt uitgevaardigd, gaat over tot de orde van den dag".

Ter verdediging van zijn motie wees de heer Gerhard in de eerste plaats op het toenemend alcoholgebruik onder de Inlandsche bevolking en den aandrang, die zich van de zijde van verschillende Inlandsche vereenigingen geopenbaard heeft om het gebruik van sterken drank tegen te gaan. Dit is z.i. thans mogelijk; het kwaad is onder de inheemsche bevolking nog niet algemeen en kan derhalve gemakkelijker bestreden worden dan wellicht over enkele jaren wanneer het kwaad in omvang toegenomen is.

De reden waarom de voorstellers der motie een drankverbod uitsluitend willen beperken tot de Inlandsche bevolking en het niet t.a.z. van de Europeesche willen uitvaardigen is gelegen in de afwezigheid van een drankverbod in Nederland.

„De Europeanen (in Indië) verkeeren in dezelfde conditie als de Europeanen hier (d.i. Nederland) en men kan derhalve niet mir nichts, dir nichts, over hen dit verbod uitspreken'', aldus de verdediger der motie, de heer Gerhard.

De spreker voegde er echter aan toe: „Wanneer de Indische Regeering tot de conclusie kwam, dat wij met het verbod voor den Inlander recht hebben, maar dit niet tot uitvoering is te brengen zonder een algemeen verbod, zoodat zij dus liever een algemeen verbod zou uitvaardigen, dan zal zij zeker niet handelen tegen den geest van de voorstellers". ,ÓB

De heer Sibinga Mulder, destijds lid van de Tweede Kamer, bestreed de motie. Deze afgevaardigde waardeerde de goede bedoeling om de Inlandsche bevolking te behoeden, voor drankmisbruik, maar het daartoe voorgestelde middel heette hij onjuist, ja zelfs niet ongevaarlijk. Zijn zienswijze verdedigde hij als volgt.

„Wij streven in de ethische richting en naar associatie van rassen en een voorstel als hier gedaan gaat daar vierkant tegenin. Wanneer een alcoholverbod voor Inlanders wordt ingevoerd en de Inlanders zien dat een Europeaan, een Chinees, een Arabier wel degelijk een borrel mag drinken, terwijl het hun verboden is, dan is dat idee, dat het hun verboden is — op welken grond begrijpt hij niet eens — hun reeds een bewijs dat zij weer in een nieuw opzicht achtergesteld zijn bij hun medelandgenooten. Dat schept dus een nieuwe rechtsongelijkheid en gaat lijnrecht in tegen hetgeen ons als toekomstbeeld voor oogen staat". . j De Minister van Koloniën ontried de aanneming van de

motie, voornamelijk op grond van de omstandigheid dat het niet aanging, dat de Kamer uitspraak deed in een specifieke inheemsche aangelegenheid zonder dat de Volksraad, wiens eerste zitting aanstaande was, zich over deze aangelegenheid had uitgesproken.

4

Sluiten